Heeft de economie 19 vrouwen uit de Kamer verjaagd?

ZO ONDERHAND WORDT het een leuke afstudeeropdracht voor een politicologiestudent. Want ik doe hier de ene wonderlijke ontdekking na de andere. Niet alleen is er in de Tweede Kamer een complete SP-fractie aan vrouwen zoek; het lijkt ook nog eens te komen door… jawel, de economie.

Maar laat me u even bijpraten.

In een vorig blog legde ik na wat zondagsgepuzzel een bizar verband bloot tussen het aantal vrouwelijke parlementsleden en de tijd. Dat aantal neemt al decennia toe, in een wonderlijk constant tempo van ongeveer één extra dameskamerlid per jaar.

Nou ja, tot nu toe. In 2012 liepen we na de verkiezingen 7 vrouwen ‘achter’, dit jaar werd maar een derde vrouwen verkozen en kwamen de dames liefst 19 zetels achter te lopen op de trend. Spijtig, want ergens rond het jaar 2030 hadden we verdorie eindelijk moeten uitkomen op een parlement met evenveel mannen als vrouwen.

Maar hoe komt het? Waarom wijkt het aantal vrouwen in de Kamer nu en dan af van de lijn omhoog? Want in de 1990’er jaren waren het er opeens een tijdlang wat méér dan je zou verwachten. En de afgelopen tijd dus minder. Kijk maar:

vrouwen_A0

Alle kans dat zoiets gewoon toeval is natuurlijk. Maar aan de andere kant moet ik ook denken aan de ideeën over leiderschap uit de evolutiepsychologie. Volgens die inzichten kiezen we onze leiders veel meer met de onderbuik dan je denkt. En in tijden van zwaar weer zouden we meer neigen naar mannelijke leiders, omdat die ons toch een wat veiliger gevoel geven dan al die dames.

Dus heb ik het overschot (of tekort) aan vrouwen per verkiezing toch eens afgezet tegen het bruto binnenlands product op dat moment. En verrek zeg. Dit is wat je dan ziet:

vrouwen_A

Op de verticale as het groeipercentage van de economie, op de horizontale as het aantal vrouwen dat er in dat jaar te veel (of te weinig) werd gekozen. Neem dat puntje dat ik rood heb gemaakt. Dat is 1994: de economische groei was in dat jaar 3,0 procent, en bij de verkiezing kwamen er 6 vrouwen méér in de Kamer dan je op basis van de trend omhoog zou verwachten.

En nu blijkt dus dat zulke schommelingen, als je het kil berekent, voor meer dan de helft te verklaren zijn uit de economie.

Daarbij hoort een waslijst armslagen – de belangrijkste is dat het verband wat zwakker wordt als je verder teruggaat in de tijd –  maar interessant is het natuurlijk wel. Zou er echt een subtiele wind waaien die ons in tijden van voorspoed iets meer richting vrouwen drijft en in tijden van economisch zwaar weer naar mannen?

Ik zei al: vervolgonderzoek is nodig, zoals ze dan zeggen.

voorzittershamer

NASCHRIFT: Omwille van de leesbaarheid heb ik allerlei details weggelaten. Zou het bijvoorbeeld niet gewoon zo kunnen zijn dat we in tijden van economische tegenspoed ‘rechtser’ kiezen, waardoor er meer mannen in de Kamer komen? Want rechtse en conservatieve partijen hebben door de bank genomen inderdaad wat meer mannen op de kieslijst dan linkse en progressieve.

Maar de ‘rechtsheid’ van de kamer blijkt, als je het even verkent, het aantal vrouwen maar nauwelijks te drukken. Daarvoor heb ik per verkiezing de verhouding tussen links en rechts berekend (vrij naar de indeling van politicoloog André Krouwel) en die afgezet tegen het ‘vrouwenoverschot’. Inderdaad zie je dan een licht verband (je zou er ongeveer 10 procent van de variatie mee verklaren), maar echt solide is het natuurlijk niet.

vrouwen_A2
Op de x-as de verhouding links/rechts, op de y-as het aantal vrouwen meer of minder ten opzichte van de trend. Bijvoorbeeld het roodgemaakte punt: na de verkiezingen van 1994 hadden de linkse partijen 68 zetels en de meer rechtse 82 (links/rechts = 0,83) en waren er in de Kamer 6 vrouwen meer dan je op basis van de trend door de tijd zou verwachten.
Advertisements

Jongens en hun machines

Waarom verduurzamen? Een deel van de verklaring zou, onverwacht, wel eens met man-vrouwverhoudingen te maken kunnen hebben, betoogde ik in mijn column voor het Volkskrant KennisCafé van mei.

 

EEN JAAR OF twaalf zal ik zijn geweest toen mijn stoere, iets oudere buurjongen iets heel bijzonders liet zien: hij had een heuse miniatuurstoommachine gekregen.

Wat een wonderlijk ding! Hele middagen lang konden we met glimmende ogen staren naar het puffende en zuigende apparaat, zonder een woord te wisselen, terwijl zuigertjes heen en weer schoten, het vliegwiel rondzoefde en er wolkjes stoom omhoog puften.

Als u op internet opzoekt hoe die stoommachientjes er ook alweer uit zagen, valt één ding op: ze worden allemaal bediend door, jawel, jongens. Jongens van een jaar of zestig, zeventig meestal, maar toch: jongens. Een opvallend patroon. Bezoek een willekeurige stoomvereniging, en wat je er vindt: jongens. In het rijk der verbrandingsmotoren schijnt werkelijk geen vrouw rond te lopen.

Daarvoor zijn allerlei sociologische verklaringen – de populairste is dat vrouwen vanouds zijn buitengesloten uit de cultuur van dingen verbranden om er motoren mee aan te drijven – maar ik denk dat er een veel simpelere reden is: mannen herkennen iets van zichzelf in zo’n motor. Een verbrandingsmotor is immers ook een ding dat lawaai maakt en grote hoeveelheden brandstof omzet in maar een klein beetje nuttige arbeid.

Dat brengt mij op een interessante gedachte. Is dát de reden waarom de verbrandingsmotor in onbruik raakt? Sociologen en demografen wijzen erop dat naar mate de manvrouw-gelijkheid oprukt, ook de wereld geleidelijk zal feminiseren. Je ziet dat nu al op de werkvloer, waar strenge hiërarchische verhoudingen geleidelijk hebben plaatsgemaakt voor vriendelijkere, meer vrouwelijke omgangsvormen, met meer nadruk op overleg en wederzijds begrip.

O zeker, natuurlijk praten we elkaar graag aan dat de verbrandingsmotor eruit moet vanwege fijnstof, zwavelnorm en klimaat. Maar als cultureel antropoloog weet ik dat maatschappelijke veranderingen uiteindelijk altijd een reflectie zijn van de veel geleidelijkere cultuurveranderingen daaronder.

Op straat zie je de vervrouwelijking nu al. Woest burlende vrachtwagens hebben plaatsgemaakt voor zedig knorrende bestelbusjes, stoer grommende auto’s zijn vervangen door geruisloos langsglijdende voertuigjes op stroom en zelfs brommer en motor – nota bene vernoemd naar dat woeste ding onder de motorkap – hebben het veld geruimd voor laffe, pastelgetinte scootertjes en e-bikes. (vervolg onder afbeelding)

6 (2).jpg

Dus dat is er met diesel, turbine en zuigermotor aan de hand! Verdrongen door feminiene – wij kerels zeggen wijverige – energievormen zoals zon, wind en desnoods de plantjes in het veld. De nieuwe motor is groen, of blauw, of roze – alles waarvoor een echte kerel de neus ophaalt.

Ik voorzie een My Little Pony-wereld waarin we ons knarsetandend voortbewegen in krappe Kiaatjes en onderdanige Honda’s op batterijen, waarin schepen worden voortgetrokken door vliegers en zelfs de vliegtuigen hun straalmotoren hebben verruild voor slappe hap op waterstof.

Tot de avond valt en wij, mannen, stiekem samenkomen in de schuur van de buurman. Sssst, de deur op slot, pak de schoenendoos van de kast, zet het ding op tafel. Zodat we samen, in het geheim, met glinsterende ogen kunnen kijken naar…

Klikt u hier maar.

 

2

[Deze column sprak ik uit voor het Volkskrant KennisCafé over het einde van de verbrandingsmotor, 23 mei 2016, in De Balie]