Waarom die antivaxxers toch maar boffen, met Buitenhof

Het was weer zo ver. Nadat Jeroen Pauw zich al eens vergaloppeerde aan het onderwerp, mocht de anti-vaccinatiebeweging plaatsnemen bij Diana Matroos aan tafel, in het VPRO-programma Buitenhof ditmaal.

Vragen om moeilijkheden, natuurlijk. Maar ja, je moet toch wat met de hete aardappel die vaccinatie heet. De vaccinatiegraad daalt immers, en experts maken zich daarover grote zorgen. Journalistieke reflex: laat dan ook degenen eens aan het woord om wie het allemaal gaat.

Een terechte gedachte natuurlijk. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de journalistieke plicht tot waarheidsvinding vereist dat je af en toe ook eens de ander aan het woord laat. Al is het maar om met eigen oren te horen wat voor standpunten die er eigenlijk op na houdt.

Maar de plicht tot waarheidsvinding vereist nóg iets. Namelijk: kritische vragen stellen.

En daar gaat het steeds mis. In Buitenhof zakte Diana Matroos weg in de rol van moderator in een debat. Aan tafel zit een mevrouw die tegen prikken is en een mevrouw die vóór is, laat ze het maar lekker uitzoeken met elkaar, dan zorg ik er wel voor dat ze ongeveer even vaak aan het woord komen en het item op tijd af is.

Met, toen de tijd om was, de onvergetelijke samenvatting: ‘U bent het duidelijk niet met elkaar eens. Maar u heeft allebei uw standpunt kunnen geven.’ Het ‘kunnen geven van uw standpunt’ als hoogste doel; missie bereikt! En zoekt u het thuis verder maar lekker uit.

Natuurlijk had Matroos zich moeten inlezen in het onderwerp. Een goede vraag aan de jeugdarts (pro-vaccinatie): ‘Maar als vaccins echt zo veilig zijn, waarom worden er dan toch ieder jaar zo’n honderd ernstige bijwerkingen gemeld?’ Of: ‘U zegt nu dat er in de derde wereld zoveel kinderen aan mazelen overlijden, maar we leven hier toch in een land waar de gezondheidszorg beter op orde is?’

En dan Madam Prik-me-niet ook wat kritische vragen stellen natuurlijk.

‘U zegt dat u zich heeft verdiept in het onderwerp. Dan kent u ook dat recente Nederlandse onderzoek dat uitwijst dat er zo’n 9000 kinderlevens zijn gered door vaccins tot 1992 alleen al. Hadden die dan maar dood gemoeten?’

Of: ‘U zegt dat vaccins autisme veroorzaken. Maar hoe verklaart u dan dat een recente, onafhankelijke analyse van in totaal 1,3 miljoen kinderen geen enkel verband vond?’

Of: ‘Op uw website beweert u dat je autisme kunt genezen met homeopathie. Kunt u ons eens laten zien op welk onafhankelijk medisch onderzoek u dat baseert?’

En: ‘U zegt dat er geen medisch vergelijkende onderzoeken zijn die vaccins met een placebo vergelijken. Waarom vind je er dan met één keer Googelen al meer dan tienduizend?’

En: ‘Heeft u soms zitten snoepen van de wonderpaddestoelen in het sprookjesbos, dat u dit soort rare dingen zegt?’

Goed, die vraag misschien niet, maar u snapt het idee.

Wat er nu ontstaat is wat experts een valse balans noemen. Enerzijds-anderzijds, alsof je twee eeuwen zorgvuldig opgebouwde medisch-wetenschappelijke kennis zomaar kunt afzetten tegen het ‘gevoel’ van een handvol moeders.

Ik zeg niet dat je dat gevoel niet serieus moet nemen. Ik ben tegen sanitaire cordons en spreekverboden. Maar schat dat gevoel in op waarde – een tamelijk particuliere mening, en maak het niet belangrijker dan het is – en onderzoek hem eerlijk en kritisch. Juist dán neem je je sprekers serieus.

Afgezien daarvan, het gaat hier om kinderlevens. Geen onderwerp waarbij je als een soort technisch voorzitter achterover kunt leunen en een beetje met grote vragende ogen gaan zitten kijken (Pauw) of er vooral op letten dat alle gasten goed aan het woord komen (Matroos).

Mensen serieus bevragen kan zomaar nog aardige resultaten opleveren ook. Ik geloof dat ik dat vorige week in mijn eigen stuk over vaccinweigeren heb bewezen.

 

Advertisements

Zó leuk is Drenthe nu ook weer niet

DE JOURNALISTIEK HAASTTE zich naar Paterswolde, waar onderzoek een nieuw inzicht had gebaard:  nergens is het zo goed wonen als in Noord-Drenthe!

Schoon. Rustig. Veilig – enfin, u kent dat soort lijstjes wel. De verslaggever van Radio 1 hield een hondenmevrouw staande: ja, inderdaad, het is hier best goed wonen, bekende zij verbouwereerd. Schoon, rustig, veilig.

Gek wel. Eerder dit jaar spoedde de journalistiek nog naar Ede, waar blijkens onderzoek óók de gelukkigste mensen van het land zouden wonen. Daarna snel door naar ‘t Gooi, de plek waar volgens een ‘unieke vergelijking’ van weekblad Elsevier het beter toeven is dan waar dan ook. Maar vergeet Amsterdam niet: de aantrekkelijkste plek om te wonen, bezwoer weer een andere studie.

En nu weer Noord-Drenthe. Zouden de gelukkigste mensen van Nederland soms telkens verhuizen?

Enorme huizen

Het begint met het onderzoek. De Brede Welvaartsindicator, zoals het 36 pagina’s tellende ding plechtig heet. Verzorgd door de Rabobank, in samenwerking met de Universiteit Utrecht. Voor het eerst gaat die monitor niet alleen over hoe de inkomens over het land zijn verdeeld, maar ook over woongenot en veiligheid – de Rabobank lanceerde pas een nieuwe campagne die moet uitstralen dat de bank heus niet alleen aan geld denkt, maar ook aan het welbevinden.

En ja: Noord-Drenthe number one. ‘Noorderlingen weten het allang, maar het staat nu ook wetenschappelijk vast’, constateerde het Dagblad van het Noorden tevreden. ‘Er staan hier enorme huizen met blije mensen’, signaleerde de radioverslaggever vanuit het verre Paterswolde.

Allemaal om deze grafiek:

Om tot die score te komen, telden de Rabobank en de universiteit elf ‘dimensies’ bij elkaar op – zaken als veiligheid en de werkloosheid, maar ook vragenlijstinzichten zoals hoe gelukkig men zegt te zijn, en hoe tevreden over de woning.

Maar kijk nog eens naar die grafiek. Tussen de tofste plekken en de akeligste uithoeken van het land zit maar zo’n 10 procent verschil in score. Tussen Noord-Drenthe en de nummer twee (Zuidwest-Drenthe) zit zo op het oog zelfs maar een paar procent verschil.

Hier missen natuurlijk de foutmarges. Want de volgende keer dat je in Noord-Drenthe langskomt om te vragen hoe happy men zich voelt, tref je misschien net een chagrijnigere steekproef. En dan is niet Noord-Drenthe, maar Zuidwest-Drenthe opeens kampioen Brede Welvaart. Of de Veluwe. Of Utrecht.

Nog niet af

Maar vraag dat niet aan de onderzoekers.

De universitaire deelnemers – historici Bas van Bavel en Auke Rijpma – erkenden dat ze de monitor ‘helaas nog niet hadden gemaakt met foutmarges’. De wetenschappers hadden het ‘er nog wel over gehad’ met de Rabobank.

En: ‘We kwamen toen tot de conclusie dat als we dat gedaan hadden, de verschillen tussen regio’s in het midden van de distributie (bv. Twente versus Utrecht) waarschijnlijk niet groot genoeg zijn om meetonzekerheid te overstemmen’, mailt Rijpma.

Maar waarom zou je dan je onderzoek uitbrengen, als het nog niet af is? Wél een winnaar uitroepen en plechtige presentaties houden en met de radio mee naar het noorden gaan, terwijl de marges om de getallen ‘helaas nog niet’ klaar zijn?

Onderzoeker Sjoerd Hardeman van RaboResearch Nederland noemt door de telefoon een andere reden: ‘Die marges zaten er niet bij toen we deze data kregen van het Centraal Bureau voor de Statistiek’.

Eh, ja? Hadden ze het CBS dan niet gewoon even kunnen bellen?

Retegelukkig

Zo worden de journalisten leuk bezig gehouden. Stuur ze naar Paterswolde, nee Ede, nee Alphen aan den Rijn! Als we maar ergens in ons achterhoofd houden: de Rabobank, daar snappen ze dat welzijn méér is dan inkomen en centen alleen.

De enige conclusie die je van een afstandje kunt trekken, is dat het op het platteland van Drenthe, Friesland of de Veluwe fijner toeven is dan in de binnenstad van Rotterdam of Den Haag. Maar ja, op de een of andere manier verbaast me dat nou niks.

Misschien is de belangrijkste slotsom wel wat wiskundige en cabaretier Jan Beuving me eens zei, na alweer een onderzoek dat uitwees waar de gelukkigste Nederlanders wonen. Na een peilende blik op de grafieken was Beuving eruit.

‘Eigenlijk is de conclusie gewoon: we zijn in Nederland hartstikke retegelukkig.’

 

newspaper

NASCHRIFT:

Opvallend was dat veel media zonder nadere vragen over de statistiek of de betrouwbaarheid meegingen in het verhaal van de Rabobank. Ik leek de enige die publiekelijk een wat ander geluid liet horen:

chcch

Een grappig detail: dit is wat er gebeurde toen ik het onderzoek op zoek naar nadere details over de foutmarges doorzocht op ‘confidence intervals’. Letterlijk geen betrouwbaarheid te vinden.

kk

Het CPB maakt u bang met enge Brexit-cijfers

WAT EEN LEUK nieuw woord leerde ik deze week! Nu in Groot-Brittannië het referendum over een vertrek uit de EU aanstaande is, zo las ik in een commentaar in het blad New Scientist, doet er veel ‘mathswash’ de ronde: ‘het presenteren van vage schattingen als gedegen voorspelling, zonder voorbehoud of foutmarges.’

Wiskundewas. Ik moest eraan denken toen het Centraal Plan Bureau deze week met grote stelligheid vaststelde dat een vertrek van de Britten uit de EU ons land 10 miljard euro zal kosten. Wel duizend euro per Nederlander!, rekende mijn eigen krant behulpzaam voor.

Ik reageerde:

cpb2

 

Dat was weliswaar ingedikt in 140 tekens, maar daarom nog niet minder gemeend. Toen ik de afgelopen zomer 100 oude toekomstprognoses doorvlooide om te kijken welke er waren uitgekomen, was een van mijn conclusies dat vooral economische doemscenario’s er in de regel naast zitten. Dat was ook de conclusie van wetenschapsjournalist Dan Gardner in zijn boek Future Babble: economen zijn kampioen er volledig naast zitten.

Doemscenario’s

Achter de sombere cijfers van het CPB gaat een doorrekening schuil van twee scenario’s: eentje waarbij de Britten weggaan en nooit meer handelsafspraken maken met de EU, en eentje waarbij ze dat wel doen, maar pas na tien jaar. Twee doemscenario’s, dus eigenlijk.

En dat is nog positief gedacht ook, gaat het bureau verder: door het wegvallen van ‘handelgedreven innovatie’ – wat dat ook mag zijn – kan de schade nog eens 65 procent hoger uitvallen. Let wel, in het rapport zelf (PDF) schrijft het CPB dat als een soort opmerking in de marge. En het Bureau zegt er meteen bij dat het cijfer ‘zeker niet robuust’ is.

Opvallend is de spin die het CPB vervolgens in het persbericht aan het geheel geeft. Daar wordt nog maar één bedrag genoemd: de kosten van het hoogste scenario, de bovengrens dus. Waarna het persbericht die bovengrens nog eens oprekt, door er al in de derde zin op te wijzen dat zelfs het ergste geval nog veel erger kan:

‘Als we conform recente voorbeelden aannemen dat de groei afhangt van handelgedreven innovatie, dan kunnen de kosten voor Nederland van 10 miljard euro zelfs 65% hoger uitvallen.’

Vandaar die ‘duizend euro per Nederlander’. Maar even rekenen: 10 miljard gedeeld door 17 miljoen Nederlanders is 588 euro. In het lagere CPB-scenario is het zelfs ‘maar’ 442 euro per Nederlander. Er zijn dagen dat ik het niet op zak heb, maar het is toch weer een stuk minder dan duizend euro.

Wasmiddel

Zo worden de geesten rijp gewassen met het schuurmiddel van de cijfers: er dreigt een economische ramp als de Britten de EU de rug toekeren! Ook in ons land zullen de gevolgen ontzettend zijn! Moeders haal je kinderen in huis! (En lang leve de Europese Unie!)

Dat het ook wel eens anders kan lopen, alleen al omdat er talloze partijen belang hebben bij kleinere deelafspraken over de handel, is een nuancering die op een of andere manier is weggespoeld door het wiskundewassen.

De reactie van CPB-bestuurder en hoogleraar Bas ter Weel, als je hem erop wijst dat alle nuances ontbreken? Tja, wíj waren heel genuanceerd, de media hebben het weer eens vreselijk opgeblazen:

cpb1

Mijn vraag terug aan hem was of hij eigenlijk denkt dat een onderzoeksteam van eurosceptische wetenschappers tot precies dezelfde conclusies zou zijn gekomen.

Nu ik eraan denk: op het antwoord wacht ik nog.

Zika en het larvengif: hoe zit het nou echt?

Het waren heus niet alleen paranoïde complotdenkers die me besprongen. Want kom, ‘een bruikbare hypothese gelijk samenzweerderskolder noemen?’ Dat ging veel mensen te snel.

Onderwerp van discussie was de onrust over zika, dat door muggen overgedragen virus dat in verband wordt gebracht met ‘microcefalie’ (baby’s geboren met kleine hoofdjes) en het verlammingssyndroom Guillain-Barré.

Maar het venijn schuilt hem precies in die woorden: ‘in verband gebracht met’. Dat klinkt niet heel zeker. Volgens onder meer de groep ‘doctors van de besproeide dorpen’ uit Argentinië komen de mismaakte baby’s helemaal niet door het virus, maar, losjes gezegd, door ‘Monsanto’. In Brazilië is een nieuw landbouwgif toegevoegd aan het drinkwater, bedoeld tegen muggenlarven. Dát zou de echte oorzaak zijn van de problemen.

In de krant had ik weinig ruimte om uit de doeken te doen waarom dat heel waarschijnlijk onzin is. Nu na de NOS en het Algemeen Dagblad zelfs het keurige NRC Handelsblad in de val is gestapt en denkt dat de gifhypothese ‘mogelijk’ is, lijkt het me geen overbodige luxe om het hier nog eens in iets meer detail – en met bronverwijzingen – te doen. Al is het maar voor mijzelf: om me te dwingen me er nog eens goed in na te verdiepen.

Een bijpraatsessie dus, in vier lemma’s.

mug-beter

 1. Zika veroorzaakt écht babyproblemen!

 

Dat de huidige variant van het zikavirus microcefalie veroorzaakt, is meer dan aannemelijk. Al meerdere keren is het virus rechtstreeks aangetoond in de weefsels van een mismaakte baby.

Neem het geval (pas beschreven in vakblad NEJM) van de 25-jarige Sloveense gezondheidswerkster die zich in oktober meldde bij het ziekenhuis. Ze was in februari 2015 zwanger geworden in Natal, Brazilië, waar ze toen werkte. In de dertiende week van haar zwangerschap kreeg ze koorts en griepachtige verschijnselen, en vier maanden later bleek het hoofdje van haar baby ernstig mismaakt. Zó ernstig, dat ze de zwangerschap afbrak. Er volgde een uitgebreide autopsie: de baby bleek het virus in de hersenen te hebben – en in geen enkel ander orgaan – en bij de vrouw had het virus zich in de placenta gevestigd.

Zo zijn er inmiddels meer gevallen. Tel dat op bij de waarneming dat het aantal meldingen van kleinhoofdigheid in het gebied met een factor 20 omhoog is geschoten, en het ligt erg in de rede om het virus te verdenken.

Ja, wacht: daaraan zitten twee haken en ogen.

De eerste is dat je, om het virus onomstotelijk aan te tonen, eigenlijk hersenbiopten moeten nemen bij álle baby’s, en dan alleen op het moment dat het virus nog actief is. (Naderhand is het virus namelijk niet meer goed aan te tonen: de ‘vingerafdruk’ die zika achterlaat in het immuunsysteem lijkt erg op die van verwante, andere virussen). Dat kan natuurlijk niet.

Tweede voetangel is de dat kleinhoofdigheid ook zónder virus soms voorkomt. Het defect kent meerdere oorzaken, zoals andere virusinfecties, domme pech of – jawel – omgevingsfactoren. Vandaar dat sommige artsen zich nogal voorzichtig uitlaten: per geval kun je niet goed zeggen hoe het komt. Sterker, je kunt zelfs niet uitsluiten dat er niet óók gevallen zijn die door gif zijn veroorzaakt.

Dat punt is voor veel mensen lastig te bevatten. Het verband met zika is dus zoiets als het verband tussen roken en longkanker – een statistisch verband, dat per definitie een beetje ambigu is. Van geval tot geval is lastig vast te stellen of roken longkanker veroorzaakt: er zijn immers rokers die géén kanker krijgen, en er zijn ook niet-rokers die wél longkanker krijgen. Maar zoom uit, naar het geheel, en je ziet dat er wel degelijk een zeer sterk verband is: negen van de tien gevallen van longkanker treden op bij rokers.

mug-beter

2. Maar… op andere plekken waar zika toesloeg waren er géén problemen!

 

Een veel gehoorde uitspraak. Alleen: hij klopt niet.

De huidige variant van het zikavirus (ZIKV) komt uit Frans Polynesië – die eilandengroep in de Stille Oceaan waarvan Tahiti u het bekendst in de oren zal klinken. Inmiddels is duidelijk dat het virus ook daar zorgde voor meer gevallen van Guillain-Barré: bewijs dat het virus de hersenen aantast.

Ook mismaakte baby’s werden er vastgesteld. Ze vielen alleen minder op. Frans Polynesië heeft maar 260 duizend inwoners; een factor duizend minder dan de 205 miljoen inwoners van Brazilië. Dat zijn er simpelweg te weinig om subtiele zaken als een verhoging van een zeldzame geboorteafwijking in het oog te laten springen. Pas achteraf bleek zo’n verhoging er wel degelijk te zijn (PDF).

Ja, en Afrika dan? Het continent waar het virus in 1947 voor het eerst werd ontdekt? Het antwoord is eigenlijk simpel. Experts denken dat het virus daar al zo lang rondwaart dat de bevolking resistentie heeft opgebouwd. Brazilië zou wel eens de eerste keer kunnen zijn dat het virus een grote mensenpopulatie ‘aanboort’ die nog geen immuniteit tegen het virus heeft.

En de omliggende landen, Colombia, Suriname, Argentinië? Daar is de voor de hand liggende verklaring: misschien komt het nog. Het virus sloeg immers als eerste toe in Brazilië, voordat het zich naar andere gebieden verspreidde. Eventuele problematische zwangerschappen zijn daar nog ‘gaande’, hoe cru dat ook klinkt.

Een lichtpuntje is er ook. Duidelijk is inmiddels dat het aantal gevallen van microcefalie in Brazilië wordt ‘overschat’. Iedere ouder die net een baby heeft gekregen met een enigszins klein of verdacht hoofdje, denkt direct aan zika. Gelukkig blijkt dat lang niet altijd terecht: bij ruim duizend verdachte kinderen bleek haast tweederde bij nader onderzoek gelukkig toch gezond.

Als je het zo bekijkt, is het denkbaar dat de schade meevalt en dat ouderwetse ongerustheid nog het meeste van de problemen verklaart. Dat zou natuurlijk goed nieuws zijn.

mug-beter

3. Het insecticide pyriproxyfen is uiterst verdacht!

 

Enfin, ik begin een beetje te klinken als de voorlichter van het ziekenhuis. Laten we dat beruchte landbouwgif eens beter bekijken. Want zoals we sinds DDT weten, kan gif gemene en vooral sluipende gevolgen hebben voor de volksgezondheid.

Maar in het geval van pyriproxyfen zijn er toch wel belangrijke verzachtende omstandigheden.Het gif verhindert dat muggenlarven uitrijpen tot volwassenheid – en doet dat door de mug bij een chemisch ‘haakje’ te pakken dat mensen niet eens hebben. Het middel doet dat trouwens al 20 jaar, in 40 landen, waaronder Nederland, Frankrijk, Denemarken en Spanje, zonder dat daar problemen aan het licht kwamen. In Brazilië gebruikt men het spul sinds 2004; sinds 2014 wordt het in sommige regio’s toegevoegd aan drinkwater.

Dat klinkt griezelig. Maar omdat het spul zo specifiek is afgestemd op insecten, is de dosis waarbij het schadelijk wordt voor zoogdieren zeer hoog, blijkt uit dierproeven en de veiligheidsrapporten. Omgerekend naar de mens zou je een theelepel pure pyriproxifen per dag moeten nemen voordat je misschien schade ondervindt. In Brazilië zou je iedere dag 1000 liter behandeld water moeten drinken om in de gevarenzone te komen.

Maar wacht. In januari heeft de Braziliaanse organisatie van arbo- en milieuartsen Abrasco tegen het middel gewaarschuwd, stellen diverse nieuwsberichten (en Wikipedia). Alleen klopt dat niet helemaal, blijkt als je het rapport zelf leest. In de ‘technische notitie’ pleit Abrasco niet zozeer tegen pyriproxyfen, maar tegen de strategie die Brazilië al 40 jaar hanteert om muggen te bestrijden met soms schadelijke giffen zoals organofosfaten en pyrethroïden. Dat werkt niet, stellen de artsen: veel beter zou het zijn om gewoon eens aandacht te besteden aan de hygiëne. Pyriproxyfen komt in de marge van dat betoog slechts drie keer kort ter sprake – en over eventuele schadelijkheid van het middel laten de artsen zich niet uit.

Resteert dat het wel erg toevallig is dat het gebruik van het gif in ruimte en tijd precies samenvalt met de problemen. Maar ook dat klopt niet helemaal. Zo is Recife het ‘epicentrum’ van de geboorteproblemen, maar gebruikt men juist daar het larvengif niet. Bovendien werd het gif in Brazilië al in 2014 aan sommige drinkwatervoorraden toegevoegd – een timing die eenvoudigweg niet klopt met de uitbraak van microcefalie van eind 2015.

Vrijgepleit, dus? Dat is ook weer te kort door de bocht. Denkbaar is bijvoorbeeld dat het gif en het virus elkaar op de een of andere nog onbekende manier versterken. Maar eerlijk is eerlijk, logisch is het niet. De meeste experts vinden zo’n verband dan ook niet erg waarschijnlijk (zie hierna).

O ja, een detail tenslotte: het larvenmiddel wordt in Brazilië niet door het eng klinkende Monsanto ingezet, zoals velen suggereren, maar door de WHO. Dat geeft toch weer een wat ander gevoel: doel is hier om de gezondheid te bevorderen, niet ‘om geld te verdienen’.

En het middel is, opnieuw anders dan veel websites aangeven, geen product van Monsanto, maar van het Japanse bedrijf Sumitomo. Dat is zelfs geen ‘dochterbedrijf’ van Monsanto, zoals men hier en daar noteerde (zelfs ik trapte erin).

mug-beter

 

4. Maar de experts zeggen het ook!

 

Een belangrijk en telkens herhaald misverstand is dat onafhankelijke experts ‘verdeeld’ zouden zijn over de link tussen microcefalie en zika. Maar bij nadere inspectie is dat helemaal niet het geval en is men redelijk unaniem.

Ja, sommige kenners zijn voorzichtig en houden zich op de vlakte: nader onderzoek is nodig, je weet immers nooit. Maar wetenschappers met kennis van zaken die de zaak bestuderen en wél tot een inschatting komen, verwijzen de link met larvicide unaniem naar het rijk der fabelen. Complete onzin, en zelfs zeer kwalijk om antimuggenspul verdacht te maken in een gebied waar het wemelt van de muggenziektes.

Het zijn ook niet de minsten die dat zeggen: directeur Francis Colins van de Amerikaanse National Institutes of Health, het Amerikaanse RIVM de CDC, een panel onafhankelijke academische Australische experts, hoogleraren neurotoxicologie, Braziliaanse experts, medische factcheckrubrieken, medisch onderzoekers ter plaatse, bloggende hoogleraren oncologie, Nederlandse muggenexperts en niet te vergeten de WHO zelf.

De opschudding over zika en pyriproxifen is ontstaan door een rapport van een Argentijnse organisatie genaamd de ‘dokters van de besproeide dorpen’, die actie voert tegen gewasbestrijdingsmiddelen.

Toevallig kende ik de ‘dokters’. Onlangs checkte ik een andere nogal uitzinnige claim van dit gezelschap, namelijk dat tampons en maandverbandjes ‘besmet’ zouden zijn met Monsanto’s landbouwgif glyfosaat. Dat klopte niet, maar nog veelzeggender was het inkijkje in hoe deze dokters opereren: officiële, controleerbare publicaties hadden ze niet, en op vragen over hun werkwijze of cijfers kwam geen antwoord, ondanks vele mailtjes, telefoontjes en diverse plechtige beloftes hunnerzijds om te antwoorden.

Ik werd, kortom, wekenlang aan het lijntje gehouden. Een schimmige club: zo riep een decaan van de Universiteit van Cordoba recent op tot een integriteitsonderzoek tegen hun voorzitter Ávila Vazquez, en vonden diverse onafhankelijke experts die ik zelf sprak over de ‘tamponzaak’ hun metingen om allerlei technische redenen nogal verdacht.

En nu dus zika en pyriproxifen. Het is beslist aardig het ‘rapport’ van de dokters eens te lezen: een opvallend amateuristisch opgesteld pamflet, zonder technische details (hier de PDF). Zelfs de naam van het middel waar het allemaal om gaat heeft men verkeerd geschreven: pyroproxyfen, in plaats van pyriproxyfen.

‘Médicos de Pueblos Fumigados is een verre van wetenschappelijk betrouwbare organisatie’, concludeerde vorige week ook onderzoeksjournalist Kavin Senapathy in zakenblad Forbes. ‘Deze groep is meer een randverschijnsel dan betrouwbaar, meer bevooroordeeld dan objectief.’

Toen ik het vorige week checkte, schrok ik een beetje hoeveel Nederlandse media meegaan in de riedel: dit gif is verdacht. Dat is dan ook de gemakkelijke weg: er is nog veel onduidelijk, dus zo’n gif kan er ook nog wel bij, waarom niet?

Ja, volgens die denkwijze kunnen buitenaardse kaboutertjes en mannen in het zwart van de CIA er ook achter zitten. De technische term voor de redenatie is het ‘ad ignorantium’-argument: je weet iets niet helemaal zeker, dús zal al het andere dat men roept wel kloppen.

Ja,. vast. Maar alles afwegend weet ik wel waar ik mijn geld op zou inzetten.

Het PBL verkoopt een zedenpreekje

EEN KENNIS WEES me op een onderzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving, dat een tijdje terug verscheen in het vakblad Environmental Science and Technology. Ik had het niet opgemerkt, en dat is niet zo vreemd, want de uitkomst is niet direct iets om van om te vallen: aan de hand van enquetes met 1868 wetenschappers die over klimaat schrijven, komen de Nederlanders tot de ontdekking dat hoe meer iemand over het klimaat publiceert, des te meer verstand hij (of zij) heeft van de opwarming van de aarde. Een bevinding die in de Volkskrant-rubriek ‘open deur van de week’ niet zou misstaan.

Waaróm, vraag je je af. Zo’n onderzoek kost toch geld, en de onderzoekers hadden een interessante (en grote!) club respondenten bij elkaar weten te krijgen, aan wie ze ook veel spannender vragen hadden kunnen stellen.

Maar er zat een adder onder het gras. Het ging het Planbureau niet zozeer om het peilen van de kennisstand onder wetenschappers – het ging ze uiteindelijk om het winnen van zieltjes voor de Grote Strijd tegen de broeikasgassen. Zó begint het artikel (vertaald uit het Engels, vet van mij):

‘Het algemene publiek is sterk verdeeld over de kwestie van de menselijke veroorzaking van klimaatverandering. Velen geloven dat klimaatwetenschappers net zo verdeeld zijn over diezelfde vraag, anders dan wat verschillende onderzoeken hebben uitgewezen. Percepties van de mate van eensgezindheid of verdeeldheid onder wetenschappers beïnvloeden de publieke acceptatie van wetenschappelijke conclusies in hun steun voor daaraan gerelateerd beleid.’

Ofwel: door te laten zien hoe eensgezind de wetenschap is, willen de onderzoekers een argument aanreiken om klimaattwijfelaars de wind uit de zeilen te nemen. Een uitstekend idee – hoe meer wetenschappelijk geïnformeerd mensen zijn hoe beter, denk ik altijd maar.Er is alleen wel een probleem: die ‘sterke publieke verdeeldheid’ waarover de onderzoekers het hebben, bestáát helemaal niet.

Althans, niet in onze contreien. De voetnoot uit het onderzoek verwijst naar een Amerikaanse publiekspeiling, waaruit blijkt dat in de VS maar 34 procent gelooft dat de aarde opwarmt door toedoen van de mens. Bovendien denkt minder dan de helft (44 procent) dat er onder wetenschappers eenstemmigheid is.

Schokkend inderdaad. Rare jongens die Amerikanen. Doe er eens wat aan. Maar het lijkt me nu niet direct een klus die op het pad ligt van het Planbureau voor de Leefomgeving uit Bilthoven.

Bij ons liggen de verhoudingen namelijk helemaal anders. 90 Procent vindt klimaatverandering een groot tot zeer ernstig probleem. 70 Procent snapt dat de mens de hand heeft in de opwarming, driekwart vindt dat er belastingmaatregelen moeten komen om het energieverbruik af te remmen. En in Europa vindt men de opwarming van de aarde een van de grootste wereldproblemen (PDF) – erger nog dan kernwapens, overbevolking, internationaal terrorisme en de besmettelijke ziekten die jaarlijks tientallen miljoen levens eisen.

Het heeft er, kortom, alles van weg dat klimaatscepsis een typisch Amerikaanse eigenaardigheid is, net als ’s ochtends de vlag groeten of het in twijfel trekken van de evolutie.

Maar die helft van de werkelijkheid vegen de onderzoekers onder het tapijt. De positievere, Europese cijfers worden verzwegen (terwijl de onderzoekers er beslist van op de hoogte zijn: twee van hen schreven er pas nog een ingezonden brief over in de krant) en de cijfers worden niet uitgesplitst naar continent.

U wordt hier dus eigenlijk bepreekt: het is toch verschrikkelijk, de mensen nemen klimaatverandering niet serieus genoeg!

d6bZon-wolk

Er is nog iets anders, want ik zou dit niet eens schrijven als vervolgens mijn vakgenoten en ik niet de schuld van alle narigheid kregen. Want wat blijkt? De media hebben het gedaan!, aldus de PBL’ers. Wij houden de domheid in stand door voortdurend klimaatsceptici aan het woord te laten. Zo staat het althans in het onderzoek:

‘[Onze resultaten] geven aan dat diegenen die het het meest oneens zijn met een merkbare invloed van door de mens uitgestoten broeikasgassen op het klimaat, oververtegenwoordigd zijn in de media, ten opzichte van de aanwezigheid van die meningen in de wetenschappelijke gemeenschap.’

Op zijn weblog – ook al zoiets, een prominent klimaatactivistisch weblog runnen en dan toch aangeven dat er geen sprake is van verstrengelde belangen – zet hoofdauteur Bart Verheggen het nog wat sterker aan: ‘Dit toont aan dat ‘klimaatsceptische’ meningen in de publieke media vaker voorkomen dan in de wetenschappelijke gemeenschap.’

Dat is inderdaad zorgwekkend (en van FOX News trekken ook mijn tenen krom), maar ook hier spinnen de onderzoekers de feiten. De onderzoekers hadden hun respondenten gewoon gevraagd naar hun indruk: hoe vaak (of hoe weinig) komen jullie naar jullie gevoel in het nieuws?

Daaruit bleek dat wetenschappers die de opwarming van de aarde laag inschatten naar eigen zeggen vaak de media halen, net als trouwens wetenschappers die menen dat de rol van broeikasgassen beperkt is. Kijk maar (tekst vervolgt onder grafiek):

Hoe vaak haalt u de media? Een grafiek uit het PBL-onderzoek om even rustig te bekijken. Links uitgesplitst naar geloof in klimaatgevoeligheid, midden naar geloof in broeikasgassen als aandrijfkracht van de opwarming, rechts naar geloof in de mate van opwarming.
Hoe vaak haalt u de media? Een grafiek uit het PBL-onderzoek om even rustig te bekijken. Links uitgesplitst naar geloof in klimaatgevoeligheid, midden naar geloof in broeikasgassen als aandrijfkracht van de opwarming, rechts naar geloof in de mate van opwarming.

Dat ziet er inderdaad ernstig uit. En hoewel het raar is om klimaatsceptici nu opeens wél op hun woord te geloven – ze zullen maar gelijk hebben.

Geschrokken heb ik toch eens de proef op de som genomen voor de Nederlandse (en Vlaamse) situatie, door in het archief van Trouw, NRC, Volkskrant, AD, De Morgen en Het Laatste Nieuws te checken hoe vaak ‘wij van de journalistiek’ sceptisch ingestelden aan het woord laten. Gunnen we echt vaker het podium aan econoom Hans Labohm, publicist Marcel Crok en PVV’er Richard de Mos dan aan onversneden ‘klimaatalarmisten’ (excusez le mot) als hoogleraar duurzaamheid Wubbo Ockels, hoogleraar transitiekunde Jan Rotmans of klimaatjournaliste Bernice Notenboom?

Ach welnee:

grafiek1

Daar komt nog eens bij dat sceptici als Labohm en De Mos, als ze ‘de media halen’, dat in de regel negatief doen: een factcheck waarin ze op hun nummer worden gezet, een beschouwing hoe je ze het beste kunt negeren, een cynisch nieuwsstuk met als kop ‘Handelaren in wetenschappelijke twijfel.’

d6bZon-wolk

Het punt is, natuurlijk, opnieuw dat Europa geen Amerika is en dat je The Guardian, Trouw of De Volkskrant niet kunt vergelijken met FOX News of The Washington Post. Zorgwekkend genoeg als je in Amerika woont – maar volstrekt belachelijk om dat door te trekken naar de hele wereld.

Toch is dat precies wat de auteurs graag willen: doen alsof de Amerikaanse situatie de hele wereld betreft. Alsof er ook hier enorm veel onbegrip is over het klimaat.

Dat sluit namelijk beter aan bij het bekende klimaatactivistische frame van goed en kwaad: je hebt de klimaatwetenschappers die proberen de wereld te redden, en kwaadaardige tegenkrachten die dat tegengaan (en o ja, de domme media die Het Kwaad de hele tijd aan het woord laten). De Amerikaanse situatie voorhouden als truc om de massa te mobiliseren: kijk uit, u neemt het niet serieus genoeg, de grote boze klimaatontkenners zitten overal, en de media zijn niet te vertrouwen!

Dat er intussen in Europa rondom het klimaat een complete industrie is verrezen van pseudowetenschappelijke onderzoeksbureautjes, zichzelf aan subsidies lavende zakenmannetjes, en hoogleraren die met miljoenen aan publiek geld allerlei triviaal onderzoek doen – daarover hoor je deze mensen helaas wat minder.

Dat de PBL-onderzoekers de beste bedoelingen hebben, daaraan twijfel ik geen moment. Het is alleen wel een beetje jammer dat hun studie – nu alweer vijf keer geciteerd door anderen – vooral bijdraagt aan een verdere verdeling van wetenschappers in goed en kwaad.

Niet langs de lijnen van wie de sterkste wetenschappelijke argumenten heeft – maar gewoon, op morele en ideologische gronden.

d6bZon-wolk

Naschrift:

Omwille van de leesbaarheid heb ik enkele meer technische bezwaren tegen de resultaten van de PBL-onderzoekers achterwege gelaten:

Ten eerste geldt zelfrapportage, in ethisch beladen kwesties, als zeer onbetrouwbaar. De wetenschappers die aangeven dat ze zeer vaak in de media komen, voelen zich misschien in het nauw gedreven: ‘Maar ik heb anders net nog een journalist gesproken hoor!’

Ten tweede ontbreekt een indeling van de geïnterviewden naar precieze vakachtergrond. Dit kan de zaak zeer vertekenen, omdat de ene discipline nu eenmaal ‘mediagenieker’ is dan de andere: menswetenschappers en artsen halen vaker de krant dan natuurkundigen of scheikundigen. De antwoorden kunnen dus gewoon een artefact zijn: beleidswetenschappers halen vaker het nieuws én staan verder af van de klimaatwetenschap. De onderzoekers hadden in mijn optiek hiervoor moeten corrigeren.

Ten derde (in het verlengde hiervan) ontbreekt een analyse van waarmee de bevraagde onderzoekers in het nieuws komen. Het is best denkbaar dat, zeg, een astronoom die wel eens onderzoek doet naar het klimaat vaak in het nieuws is vanwege zijn expertise op het gebied van Mars en Venus. Even zo is het denkbaar dat een klimaatwetenschapper vaak het nieuws haalt vanwege zijn kennis van het weer. Ook hiervoor hadden de onderzoekers in mijn optiek moeten corrigeren.

Ten vierde wijst psycholoog José Duarte er in een venijnig commentaar op dat het PBL-onderzoek teruggetrokken zou moeten worden om allerlei redenen: zo zou de aanwezigheid van onderzoekers uit totaal triviale vakgebieden de resultaten ernstig vertekenen. In een reply gaan Verheggen en collega’s daar tegenin. Maar oordeelt u vooral zelf, erg overtuigend vond ik het antwoord van de PBL’ers niet.

Ten vijfde is het vreemd dat de PBL-onderzoekers niet met een steekproef of een media-analyse hebben geprobeerd hun beweringen te valideren. Dat is des te vreemder omdat hun paper erom draait dat ‘sceptisch’ ingestelde wetenschappers niet goed zijn te vertrouwen. Maar kennelijk vertrouwen de PBL-onderzoekers hen wel als ze aangeven veel in de media te komen?

Ten zesde stelt Verheggen in zijn blog wetenschappers die de opwarming van de aarde laag inschatten zonder meer gelijk met ‘klimaatsceptische meningen’. Dat is ten onrechte: het kan er ook op duiden dat het hier gaat om wetenschappers die eenvoudigweg minder kennis van zaken hebben omdat ze verder van het klimaatonderzoek af staan (beleidsonderzoekers, bijvoorbeeld). Ook hiervoor hadden de onderzoekers in mijn optiek moeten corrigeren.

Edits:

13/4/15: Kleine tekstuele aanpassingen.

Chantage, bedrog, leugens: hoe de milieubeweging een familiebedrijfje aanvalt

DE ACTIVISTEN HADDEN zelfs Sneeuwwitje in stelling gebracht: die is niet meer de enige die zich zorgen moet maken om een appel. Daarnaast een foto van een snoezig verkleed kleutermeisje, dat met een vies gezicht naar een appel kijkt. Dit moet je je kind niet willen aandoen, was de boodschap die Friends of the Earth, moederorganisatie van onder meer Milieudefensie, wilde meegeven.

De vrucht in kwestie – een ‘riskante genetisch gemanipuleerde appel’, zeggen activisten – werd vorige week na jaren gesteggel eindelijk toegelaten op de Amerikaanse consumentenmarkt. De appel wordt niet bruin als je hem aansnijdt, wat handig is voor partjes in de broodtrommel en andere hapjes waar zo’n bruin uitgeslagen appel onplezierig oogt. Ideetje van de Canadese appelboer Neal Carter en zijn vrouw Louisa, die de ‘arctische appel’ al in de jaren negentig bedachten.

Wisten de Carters veel dat ze de gramschap van het halve sprookjesbos over zich zouden afroepen. Met grof geschut trokken groene concerns als Greenpeace en Friends of the Earth ten strijde. Hier was een griezelige lichtgevende Appel van Frankenstein, die koste wat kost moest worden bestreden, aldus de actiemultinationals.

Want dat bruin worden is juist heel goed, is een van de centrale argumenten, om te voorkomen dat je per ongeluk een rotte appel eet. ‘Wat bezielt sommige mensen om te denken dat ze de macht hebben om te veranderen wat van nature perfect is?’, aldus een van de ondertekenaars van een petitie op Facebook. Bovendien zou de appel ‘een nieuw gif’ bevatten, aldus yogaboekenschrijfster Christina Sarich op de populaire ecosite Natural Society.

[vervolgt hieronder]

1239395_10151566882537026_1178954829_n

Waar sprookjesfiguren en yogajuffen het hoogste woord voeren, is het de wetenschap die lijdt. Dat bruin worden is heus niet een speciaal voor de mens ontworpen waarschuwingssysteem tegen vieze appels, maar eerder een vergissing van de natuur. Snijd zo’n appel doormidden en zijn cellen gaan stuk, waarna de inhoud in aanraking komt met zuurstof en wat gaat roesten. En ‘gif’ bevat de appel niet: Carter heeft wat dna van een ander appelras toegevoegd, waardoor die roestvorming niet meer op gang komt.

Maar voor de arctische appel is het al te laat. De activisten hebben McDonald’s en babyvoedingsconcern Gerber al op de knieën gechanteerd: als de concerns de appel niet zou afzweren, zouden ze het mikpunt worden van publieksacties; als ze het wél deden, zou McDonald’s en Gerber publiekelijk worden geprezen (u raadt welke keuze de bedrijven maakten).

Een rare, omgekeerde wereld. Niet langer zijn milieuclubs die vredelievende natuurmensen die het opnemen tegen het grote boze kapitaal; denk eerder aan cynische milieumultinationals die met zijn allen een klein, zevenkoppig familiebedrijfje aanvallen, met lastercampagnes, publieke chantage, onversneden leugens en kleuters verkleed als Sneeuwwitje.

Intussen eten de meeste kinderen te weinig fruit, is er een obesitasepidemie, en zijn bij de stationswinkel waar ik ’s ochtends koffie koop de gevulde koeken goedkoper dan de appels.

Je zou zeggen dat de wereld wel wat innovaties à la Carter kan gebruiken.

Wetenschap als vrijbrief om lekker te lullen over God, zijn daar geen wetten tegen?

GRASDUINEND DOOR DE database voor filosofische publicaties PhilPapers kwam ik een interessante studie tegen: een nog niet gepubliceerd onderzoek naar wat voor opvattingen filosofen er eigenlijk op nahouden (PDF).

Ik was in de database beland door een discussie met enkele wijsgeren van de VU, die beweren dat er in de filosofie een ‘springlevend’ debat gaande is over de vraag of God bestaat. Ik denk van niet, zij van wel – enfin, u leest het hier.

Maar daardoorheen speelt iets anders. Iets dat me vaker opvalt als het om godsdienstfilosofen gaat (en vooral die van de VU): hun gelovigheid. Niet in Allah of Shiva, maar in de god van de christenen.

Ziedaar de peiling die David Bouget en de vooraanstaande bewustzijnsfilosoof David Chalmers uitvoerden onder 3226 (internationale) filosofen.

David Chalmers: meeste filosofen atheïstisch.
David Chalmers: meeste filosofen atheïstisch.

Slechts 11 procent van hen blijkt in God te geloven. Dat staat haaks op de bewering van de VU-filosofen dat God aan de winnende hand is in de filosofie, is aanzienlijk minder dan in de algemene populatie en zelfs minder dan onder de meeste andere wetenschappers. Een atheïstisch volkje, die filosofen.

Alle filosofen? Nee: in één tak van de filosofie houdt het deïsme dapper stand. Dat is de godsdienstfilosofie, blijkt uit het onderzoek. Daar gelooft liefst vier van de vijf onderzoekers.

Filosofen die in God geloven terwijl ze het geloof daarin zouden moeten bestuderen, ik vind het maar raar. Kán dat wel? Ik dacht altijd dat wetenschap waardenvrij hoorde te zijn en objectiveerbaar, of dat in elk geval zou moeten nastreven. Zoals het in de boekjes staat (in dit geval de Stanford Encyclopaedia of Philosophy):

Wetenschappelijke objectiviteit is een eigenschap van wetenschappelijke aanspraken, methodes en uitkomsten. Het geeft uitdrukking aan het idee dat de claims, methodes en resultaten van de wetenschap niet mogen worden beïnvloed door particuliere perspectieven, waarden, voorkeuren van gemeenschappen of persoonlijke belangen, om enkele relevante factoren te benoemen.

Maar hier hebben we wetenschappers die bijna van de daken schreeuwen dat hún god – die van de bijbel – lekker tóch bestaat. En die erop uit lijken om dat te bewijzen ook.

De wetenschap als dekmantel om zieltjes te winnen, is dat al snel. ‘Niet iets maar iemand, rationele argumenten voor het bestaan van God’, luidt bijvoorbeeld een boektitel die VU-filosofen Jeroen de Ridder en Emanuel Rutten in petto hebben. Dat zit dicht tegen de ouderwetse geloofsbelijdenis; de strekking laat in elk geval weinig aan de verbeelding over.

Of neem Rutten, openlijk ‘christelijk wetenschapper’, gepromoveerd op een heus ‘godsbewijs’ en die vorig jaar nog hardop zei dat ‘de meeste historici het erover eens zijn dat Jezus heeft geleefd, gekruisigd is, dat Zijn graf leeg was, en dat de discipelen meenden Hem te hebben ontmoet na zijn dood.’

Screenshot uit het Reformatorisch Dagblad. Iets te enthousiast?
Screenshot uit het Reformatorisch Dagblad. Maar is het nog wetenschap?

Is het denkbaar dat zo iemand een onderzoeksresultaat vindt dat níét strookt met zijn geloof? We hebben hier een meneer die in interviews aangeeft dat hij ‘bevangen is door het christendom’ en dat dat ‘geen rationele gedachte is’.

Hoe serieus moeten we het dan nemen als dr.ir. G.J.E. Rutten van de Vrije Universiteit Amsterdam het filosofisch discours samenvat met: ‘Alles wijst naar God’?

Bedenk dat het hier niet gaat om wetenschappers die een particuliere geloofsopvatting hebben naast hun werk – niks mis daarmee – nee, hun privé-opvatting ís hun werk geworden, en ze onderzoeken en onderwijzen vaak nog van gemeenschapsgeld ook (hadden we geen scheiding tussen kerk en staat?).

Hebben wetenschappers zich niet te houden aan een of ander objectief kader, zodat ook u en ik kunnen controleren of het echt wel zo is dat ‘de meeste historici’ geloven in Jezus’ lege graf, of dat de meeste filosofen inderdaad aanvaarden dat het atheïsme ‘overtuigend is weerlegd’?

Wetenschap als vrijbrief om lekker wat te lullen over God – zijn daar eigenlijk geen wetten tegen? Of beter nog: hoort zo’n vak zichzelf niet te beschermen, een controle tegen al te enthousiaste gelovigen, zodat de objectieve onderzoekers (die er ongetwijfeld ook volop zijn) geen last van ze hebben?

Ik zal de halve wereld wel weer over mij heen krijgen, en vooral zal ik wel iets niet goed hebben begrepen. Maar hoe zit het dan wel? Helpt u het mij en de lezers van dit blog even begrijpen?

Vooruit: de reactieruimte hieronder is voor u.

 

(Revisies: 4/1/15 11:27: kop veranderd.)

Weten we eindelijk wie Jack the Ripper was?

WAS HET DE barbier met het scheermes, de chirurg met zijn operatieset of toch de kunstenaar met een keukenmes? Nee, het was de Poolse kapper, zo luidt de laatste stand van zaken in het spelletje Cluedo dat nu al 126 jaar gaande is rond Jack the Ripper.

Aaron Kosminski heet die kapper, en in 1888 al was hij één van de hoofdverdachten in de zaak. Maar nu is er DNA-bewijs!, beweerde althans de Britse zondagskrant The Daily Mail. Verkregen uit de sjaal van Catherine Eddowes, een van de slachtoffers van weleer, aldus de krant. En wat blijkt: dat DNA komt ‘100 procent’ overeen met het DNA van verre nazaten van Kosminski.

 

article-2746321-211E7F0300000578-977_634x345Cluedo, 1888: de verdachten bij elkaar.

Cluedo, 1888: de verdachten bij elkaar.

 

Ach. Met het mysterie van Jack the Ripper is het net als met het steegjesdoolhof van Whitechapel: je verdwaalt er makkelijk, het stikt er van de louche types en zo nu en dan krijg je een mes tussen je ribben of jatten ze je geld.

Hier begint het al: hoe zo’n ‘ontdekking’ tot stand komt.

De sjaal in kwestie – een soort lijkwade van Turijn, maar dan Engels – verscheen in 2007 opeens ten tonele op een veilig. Er was destijds al twijfel over de echtheid, maar niettemin werd het kleinood voor duizenden ponden aangeschaft door de hobbyende zakenman Russell Edwards, die in de ban was geraakt van de zaak. Vandaag verschijnt het boek waarin Edwards zijn bevindingen beschrijft.

Zeg nu zelf: was het denkbaar geweest dat hij níét iets heel nieuws had gevonden? Dat het boek had geconstateerd: ach, ik heb eigenlijk niets te melden?

En dan is er Jari Louhelainen, de DNA-expert. Wat zeg ik: een ‘vooraanstaand forensisch geneticus’, schrijft zijn werkgever, de particuliere Liverpool John Moores University. Maar even neuzen in de vakliteratuur leert dat dat wel meevalt: Louhelainen blijkt gewoon een brave, anonieme moleculair-bioloog met welgeteld één publicatie over forensische technieken op zijn naam, over het werken met oude haren. Het baanbrekende werk is wel drie keer geciteerd. En Louhelainen was niet eens de eerste auteur.

Gevraagd naar wat technische details, houdt Louhelainen de boot af. ‘De wetenschappelijke paper is nog in de maak, aangezien het boek voorrang had vanwege de strakke deadline’, mailt Louhelainen desgevraagd. Jammer dus dat hij besloot zijn bevindingen niet op te schrijven in een vaktijdschrift, zodat iedereen het kan controleren, maar te delen met de zondagsroddelkrant The Daily Mail.

Sperma!

Maar vooruit: DNA is DNA. Louhelainen zweert dat hij een klein beetje sperma heeft aangetroffen op de sjaal, waaruit hij met ‘geavanceerde nieuwe technieken’ wat DNA wist te halen (voor de liefhebbers: het ging hier om een beetje mitochondriaal DNA).

Sperma! Daar beginnen al meteen de problemen. Eddowes was een prostituee, een vrouw die het sperma bij wijze van spreken om de oren vloog. Nou ja, behalve het zaad van Jack the Ripper: die sneed zijn slachtoffers weliswaar in reepjes, maar verkrachtte ze niet.

Niettemin kwam het gevonden sperma-DNA ‘voor 100 procent’ overeen met het DNA van een verre nazaat van de Poolse kapper. Jammer alleen dat Louhelainen er niet bij zegt dat het DNA met wel meer mensen ‘voor 100 procent’ matcht. Uit Louhelainens uitleg valt althans op te maken dat hij een bepaalde genetische vingerafdruk heeft gevonden, die overal in Europa en Azië voorkomt. Wie weet hadden de barbier, de chirurg en de kunstenaar het DNA-profiel ook.

Iets zegt me dat we hier toch een beetje bij de neus worden genomen. Omwille van de verkoopcijfers van het boek van Edwards. De verkoopcijfers van de Daily Mail. En, waarom niet, omwille van de fifteen minutes of fame van onderzoeker Louhelainen en zijn universiteit.

Met oude mysterieuze misdrijven is het als met koffiedik: je kunt kijken en kijken, en vroeg of laat zie je er dan opeens iets in verschijnen. Het is niet voor niets dat er bij Amazon al 1315 boeken te koop zijn over Jack the Ripper, soms met bemoedigende titels als ‘The Definitive History’ en ‘Case Closed.’

Geen enkele reden om aan te nemen dat van dat laatste sprake zou zijn, overigens.

Lezen vrouwen liever in bed?

En daar ging het over het seksleven van de vrouw. ‘De meeste vrouwen lezen liever een boek dan ze aan seks doen’, bezwoer damesbladenschrijfster Marleen Janssen in een interview met de Volkskrant.

Goh, zou het heus? En hoe weet Janssen dat eigenlijk?

Een zoektocht in de wetenschappelijke literatuur levert weinig op, maar een speurtocht door de media-archieven des te meer: het wapenfeit dat vrouwen liever lezen dan vrijen waart al vele jaren rond, als een gegeven dat kennelijk ooit is vast komen te staan.

Maar met dat ‘vaststaan’ valt het toch een beetje tegen: het feit werd in 2002 opgetekend door beddenfabrikant Auping, na een telefonische enquête onder duizend Nederlanders en Belgen. De vraag was simpel: wat doet u naast slapen het liefst in bed?

Van de Belgische dames antwoordde 60,7 procent vrijen, bij de Nederlandse vrouwen zette 69,8 procent lezen op één. Waarna Auping een smeuïg persbericht de wereld in zond dat door veel kranten werd overgenomen: ‘Terwijl de Nederlandse vrouw zich verdiept in een boek, bedrijft de Belgische de liefde.’

Zo zeggen ze wel meer over het libido van de vrouw. Wetenschappelijke rigueur hebben die niet: in de regel gaat het om jeuïge feitjes uit peilingen, enquêtes en marktonderzoeken. Zo maakte het Britse internet-televisiekanaal NOW afgelopen zomer wereldkundig dat vrouwen liever tv kijken dan seks hebben, en ontdekte datingsite Match.com dat vrouwen liever uit eten gaan dan dat ze seksen. Precies het antwoord wat je van vrouwen op zoek naar een internetdate mag verwachten, maar als je de resultaten optelt, mag het een wonder heten dat de menselijke soort niet allang is uitgestorven.

Het probleem is dat vragen naar seksueel gedrag berucht onbetrouwbare antwoorden oplevert: de uitkomsten worden sterk ingekleurd door de sociale wenselijkheid van het moment.

Bovendien is het maar net wie je bevraagt. Twaalf jaar geleden noteerde ook de Britse tabloid The Sun na eigen onderzoek dat de meeste vrouwen (58 procent) liever tv kijken dan seksen. Dat was althans wat de krant opschreef, want uit de cijfers bleek nog iets anders: van de vrouwen jonger dan 40 gaf tweederde wel degelijk de voorkeur aan seks. De einduitkomst werd dus gekleurd doordat de krant veel oudere, seksueel minder actieve vrouwen had bevraagd.

Zou dat ook gelden voor het Auping-onderzoek? Veelzeggend is dat eenderde van de door Auping geênqueteerde Nederlanders aangaf onder een eenpersoonsdekbed te slapen, ‘om touwtrekken te voorkomen’. Dit waren geen verliefde stellen die nog maar kort samen waren, eerder geharde veteranen in het samen slapen.

Bovendien: wie heeft er eigenlijk een heus Auping-bed? Jonge mensen bij wie het bedspiraal nog wel eens wil rammelen, of oudere stellen die last hebben van hun rug en bereid zijn flink te lappen voor een goede nachtrust?

Het Auping-onderzoek zelf bleek bij de beddenfabriek helaas niet meer te vinden, maar wie het originele persbericht opdiept, ziet dat Auping dit ook met zoveel woorden constateert: ‘In de leeftijdsgroep van 26 tot 40 jaar verschuift de prioriteit naar vrijen. Wat dat betreft scoren Belgen en Nederlanders gelijk.’

Ofwel: ook bij Auping geven jongere, seksueel actieve vrouwen in bed wel degelijk de voorkeur aan de seks boven een goed boek. Alleen resoneert dat minder goed met het stereotype beeld zoals we dat kennen uit de kroegpraat: zie je nou wel, die vrouwen hebben ook nooit zin.

En de werkelijkheid? In de monitor ‘Seksuele gezondheid in Nederland‘ houdt Rutgers WPF onze gewoonten tussen de lakens in detail bij: 3,9 procent van de bevraagde vrouwen zou naar eigen zeggen minder seks willen hebben – en een tien keer zo groot aantal (41,1 procent) juist méér.

(Dit is een aangescherpte en tot blog omgewerkte versie van het artikel ‘Nee, vrouwen vinden lezen niet leuker dan seks’ dat ik schreef voor . Het origineel vindt u hier.)