Wetenschap als vrijbrief om lekker te lullen over God, zijn daar geen wetten tegen?

GRASDUINEND DOOR DE database voor filosofische publicaties PhilPapers kwam ik een interessante studie tegen: een nog niet gepubliceerd onderzoek naar wat voor opvattingen filosofen er eigenlijk op nahouden (PDF).

Ik was in de database beland door een discussie met enkele wijsgeren van de VU, die beweren dat er in de filosofie een ‘springlevend’ debat gaande is over de vraag of God bestaat. Ik denk van niet, zij van wel – enfin, u leest het hier.

Maar daardoorheen speelt iets anders. Iets dat me vaker opvalt als het om godsdienstfilosofen gaat (en vooral die van de VU): hun gelovigheid. Niet in Allah of Shiva, maar in de god van de christenen.

Ziedaar de peiling die David Bouget en de vooraanstaande bewustzijnsfilosoof David Chalmers uitvoerden onder 3226 (internationale) filosofen.

David Chalmers: meeste filosofen atheïstisch.
David Chalmers: meeste filosofen atheïstisch.

Slechts 11 procent van hen blijkt in God te geloven. Dat staat haaks op de bewering van de VU-filosofen dat God aan de winnende hand is in de filosofie, is aanzienlijk minder dan in de algemene populatie en zelfs minder dan onder de meeste andere wetenschappers. Een atheïstisch volkje, die filosofen.

Alle filosofen? Nee: in één tak van de filosofie houdt het deïsme dapper stand. Dat is de godsdienstfilosofie, blijkt uit het onderzoek. Daar gelooft liefst vier van de vijf onderzoekers.

Filosofen die in God geloven terwijl ze het geloof daarin zouden moeten bestuderen, ik vind het maar raar. Kán dat wel? Ik dacht altijd dat wetenschap waardenvrij hoorde te zijn en objectiveerbaar, of dat in elk geval zou moeten nastreven. Zoals het in de boekjes staat (in dit geval de Stanford Encyclopaedia of Philosophy):

Wetenschappelijke objectiviteit is een eigenschap van wetenschappelijke aanspraken, methodes en uitkomsten. Het geeft uitdrukking aan het idee dat de claims, methodes en resultaten van de wetenschap niet mogen worden beïnvloed door particuliere perspectieven, waarden, voorkeuren van gemeenschappen of persoonlijke belangen, om enkele relevante factoren te benoemen.

Maar hier hebben we wetenschappers die bijna van de daken schreeuwen dat hún god – die van de bijbel – lekker tóch bestaat. En die erop uit lijken om dat te bewijzen ook.

De wetenschap als dekmantel om zieltjes te winnen, is dat al snel. ‘Niet iets maar iemand, rationele argumenten voor het bestaan van God’, luidt bijvoorbeeld een boektitel die VU-filosofen Jeroen de Ridder en Emanuel Rutten in petto hebben. Dat zit dicht tegen de ouderwetse geloofsbelijdenis; de strekking laat in elk geval weinig aan de verbeelding over.

Of neem Rutten, openlijk ‘christelijk wetenschapper’, gepromoveerd op een heus ‘godsbewijs’ en die vorig jaar nog hardop zei dat ‘de meeste historici het erover eens zijn dat Jezus heeft geleefd, gekruisigd is, dat Zijn graf leeg was, en dat de discipelen meenden Hem te hebben ontmoet na zijn dood.’

Screenshot uit het Reformatorisch Dagblad. Iets te enthousiast?
Screenshot uit het Reformatorisch Dagblad. Maar is het nog wetenschap?

Is het denkbaar dat zo iemand een onderzoeksresultaat vindt dat níét strookt met zijn geloof? We hebben hier een meneer die in interviews aangeeft dat hij ‘bevangen is door het christendom’ en dat dat ‘geen rationele gedachte is’.

Hoe serieus moeten we het dan nemen als dr.ir. G.J.E. Rutten van de Vrije Universiteit Amsterdam het filosofisch discours samenvat met: ‘Alles wijst naar God’?

Bedenk dat het hier niet gaat om wetenschappers die een particuliere geloofsopvatting hebben naast hun werk – niks mis daarmee – nee, hun privé-opvatting ís hun werk geworden, en ze onderzoeken en onderwijzen vaak nog van gemeenschapsgeld ook (hadden we geen scheiding tussen kerk en staat?).

Hebben wetenschappers zich niet te houden aan een of ander objectief kader, zodat ook u en ik kunnen controleren of het echt wel zo is dat ‘de meeste historici’ geloven in Jezus’ lege graf, of dat de meeste filosofen inderdaad aanvaarden dat het atheïsme ‘overtuigend is weerlegd’?

Wetenschap als vrijbrief om lekker wat te lullen over God – zijn daar eigenlijk geen wetten tegen? Of beter nog: hoort zo’n vak zichzelf niet te beschermen, een controle tegen al te enthousiaste gelovigen, zodat de objectieve onderzoekers (die er ongetwijfeld ook volop zijn) geen last van ze hebben?

Ik zal de halve wereld wel weer over mij heen krijgen, en vooral zal ik wel iets niet goed hebben begrepen. Maar hoe zit het dan wel? Helpt u het mij en de lezers van dit blog even begrijpen?

Vooruit: de reactieruimte hieronder is voor u.

 

(Revisies: 4/1/15 11:27: kop veranderd.)

Advertisements

36 thoughts on “Wetenschap als vrijbrief om lekker te lullen over God, zijn daar geen wetten tegen?

  1. Goede vragen. Hier nog een paar.
    Wanneer een zuiver metafysische redenering de uitspraak oplevert dat God waarlijk bestaat, is dan niet aangetoond dat er hooguit sprake kan zijn van sofistiek?
    Wordt de geloofwaardigheid geen extra geweld aangedaan door die God van allerlei eigenschappen te voorzien?
    Je kan met een zekere mildheid stellen dat er sprake is van zieltjeswinnerij, maar is dit feitelijk geen vorm van misleiding?
    Als dit inderdaad misleiding is, waarom zou dit dan getolereerd moeten worden?

  2. Het doet me denken aan wielrenners en voetballers: ik heb van m’n hobby m’n werk gemaakt. Je kunt er dan mooi je boterham mee verdienen. Punt.

    1. Er is niets mis mee om van je hobby te maken, maar in dit geval deel ik Keulemans’ aarzeling: “Is het denkbaar dat zo iemand een onderzoeksresultaat vindt dat níét strookt met zijn geloof?”

      Wetenschappers zijn mensen en hebben zwakke punten. Ze kunnen verliefd zijn (of verliefd worden) op hun ideeën. Dat hoeft op zichzelf niet op gespannen voet te staan met het wetenschappelijk bedrijf; zo ben ik blij dat er medici zijn die verliefd zijn op het idee dat er genezing bestaat voor pakweg obesitas, en daardoor gedreven vroeg of laat iets zullen vinden.

      Waar het om gaat is, zoals Keulemans terecht constateert, dat er in een vakgebied een soort controle moet zijn. In de exacte wetenschappen is die er in de vorm van snoeiharde empirie, maar in de meer softe wetenschappen, waar het vaak draait om de interpretatie van gegevens, is dat lastiger. Ik zou meer overtuigd zijn van de wetenschappelijkheid van de twee VU-medewerkers als ze definieerden welk feit voor hen zou bewijzen dat God niet bestaat.

      1. Het spijt me als de ironie in m’n antwoord niet is doorgekomen, Jona…..tja, email is niet zo geschikt voor grapjes of ironie; daar hebben ze die😉 voor bedacht.

  3. Maarten, wat jij niet lijkt te zien, is dat godsdienstfilosofie niet louter bedreven wordt door gelovige filosofen. Beroemde godsdienstfilosofen als Kai Nielsen, Antony Flew (voor zijn zogenaamde bekering een paar jaar terug) en vandaag de dag J.L. Schellenberg en Graham Oppy zijn allen atheïsten, die filosoferen over onderwerpen die zich op religieus terrein bevinden, en vandaar dat ook hun activiteit onder de noemer van “godsdienstfilosofie” valt. Ook de boeken over religie van Richard Dawkins, Sam Harris, Dan Dennett en andere vallen onder godsdienstfilosofie (wat je ook van het filosofisch gehalte van die boeken mag vinden). Hetzelfde geldt voor de boeken van atheïsten als Thomas Nagel en Ronald Dworkin.

    Jij lijkt dus godsdienstfilosofie op te vatten als filosofie die vooral godsgeloof verdedigt en probeert te beargumenteren, maar dat is dus ver bezijden de waarheid. Veel godsdienstfilosofen proberen juist de plausibiliteit van godsgeloof te ondermijnen, maar via filosofische weg, dus via argumenten. Dat is alles godsdienstfilosofie.

    En het is overduidelijk – daarin hebben De Ridder en Rutten gelijk – dat God een van de centrale onderwerpen is geworden binnen de hedendaagse filosofie, juist omdat zoveel gelovige én ongelovige filosofen zich nu met God bezighouden, hetzij om te proberen God te verdedigen, hetzij om te proberen godsgeloof onderuit te halen.

    1. Daar ga ik zowaar een heel eind in mee – en ik beweer ook helemaal niet dat álle godsdienstfilosofen god verdedigen! – maar vind je niet dat uitspraken van het kaliber ‘dé meeste historici zijn het erover eens dat het graf v Jezus echt leeg was’ het boekje van de empirische toetsbaarheid te buiten gaan – fact free science?

      1. Maarten, twee antwoorden:

        (1) Ik ben het ermee eens dat de uitspraak ‘dé meeste historici zijn het erover eens dat het graf v Jezus echt leeg was’ geen wetenschappelijke uitspraak is, maar een die voortkomt uit een bepaald perspectief en erg gevoelig is voor de confirmation bias. Feit is dat de meeste historici geen idee hebben, omdat (a) het graf van Jezus nooit gevonden is, en (b) we geen objectieve beschrijving hebben van wat zich daar bij het graf heeft afgespeeld (de evangeliën zijn al vanuit gelovig oogpunt geschreven). Ik denk dus inderdaad dat Ruttens eigen geloof hier de overhand heeft. Maar de vraag is: is dat erg? Waarom zou hij zo’n uitspraak niet mogen doen? Helemaal onwaar is de uitspraak namelijk ook weer niet, omdat inderdaad veel historici – gelovig of niet – aannemen dat het graf inderdaad leeg is geweest, waarom zou anders het Nieuwe Testament daar zo’n ophef over maken? Maar zelfs als je accepteert dat het graf leeg is, betekent dat nog niet dat je daarmee accepteert dat Jezus de Opgestane Zoon van God is en alles wat daarbij komt. Er zijn legio historici die een alternatieve verklaring geven, bijvoorbeeld dat Jezus’ lichaam verplaatst is, of dat hij niet echt dood was, maar verdoofd, etc. Samenzweringstheorieën à la De Da Vinci Code teren hierop. Ook allemaal niet te verifiëren of te falsifiëren ideeën, maar er zijn historici die dergelijke ideeën hebben geponeerd.

        (2) Of godsdienstfilosofie “fact-free science” is, is een lastige kwestie. Als je de natuurwetenschappen als criterium neemt voor wat als wetenschap mag gelden, dan valt heel veel wetenschap van de humanities buiten boord: economie, geschiedenis, recht, filosofie, literatuurwetenschap, noem maar op. Binnen deze disciplines heerst namelijk geen “fact-free science”, maar behoort een persoonlijke weging en waardering van argumenten tot de methode. Er speelt in die wetenschappen een niet te reduceren subjectief element een rol. Dat wil niet zeggen dat het allemaal slechts subjectief is, want menswetenschappers formuleren argumenten voor hun positie, die door hun “peers” in hun vakgebied worden gewogen en eventueel met tegenargumenten worden bestreden. “Empirische toetsbaarheid” is binnen de humanities buitengewoon lastig.

      2. Daar ga ik een heel eind in mee Taede. Je opmerking ‘of godsdienstfilosofie “fact-free science” is, is een lastige kwestie’ raakt denk ik de kern van de zaak. Maar zoals je zelf al aangeeft in dat graf van Jezus-voorbeeld zitten daaraan toch wel (empirische) grenzen? Dat is wat me verontrust: dat ook de peers kennelijk niet in staat zijn die grenzen te bewaken. Zie mijn zin: “Hebben wetenschappers zich niet te houden aan een of ander objectief kader, zodat ook u en ik kunnen controleren of het echt wel zo is dat ‘de meeste historici’ geloven in Jezus’ lege graf, of dat de meeste filosofen inderdaad aanvaarden dat het atheïsme ‘overtuigend is weerlegd’?”
        Juist voor de kwaliteit van de godsdienstfilosofie lijkt zo’n bewaking me nodig.

      3. Beste heer Keulemans,

        Wetenschappers doen toch voortdurend uitspraken die “het boekje van de empirische toetsbaarheid te buiten gaan”? Zoals Taede Smedes terecht zegt: lang niet alle wetenschappen werken met het criterium van empirische toetsbaarheid. Opnieuw: u bent toch antropoloog? En ook nog chef wetenschapsredactie? Dan moet u dat toch gewoon weten? Of gebruikt u ‘wetenschap’ in de beperkende Engelse zin van ‘science’ (natuurwetenschap)? Maar dan zult u weten dat Emanuel Rutten geen ‘scientist’ is, maar filosoof en wiskundige. Dus ik snap werkelijk niets van deze uitspraak.

  4. Keulemans schreef: “maar vind je niet dat uitspraken van het kaliber ‘dé meeste historici zijn het erover eens dat het graf v Jezus echt leeg was’ het boekje van de empirische toetsbaarheid te buiten gaan – fact free science?”

    Dit is een interessant punt. De andere drie gegevens (“dat Jezus heeft geleefd, gekruisigd is, dat … de discipelen meenden Hem te hebben ontmoet na zijn dood”) zijn zelfs onomstreden onder historici. Dat is gemakkelijk vast te stellen door handboeken en de meest minimalistische historici te raadplegen. Bij het lege graf is dat echter moeilijker, omdat er verschil van mening over is. Maar vooral omdat het onduidelijk wie je als ‘historicus’ mee mag tellen en omdat het lege graf voor veel christenen een aangelegen punt is. Als confirmation bias meespeelt, dan hier wel. Dus zelfs als je alle serieuze deskundigen zou tellen, dan zou je zeker bij dit onderwerp uit voorzichtigheid eerder naar de historische argumenten moeten kijken dan naar de meerderheidsopvatting.

    Zoals Taede hierboven trouwens al opmerkt, zou het in principe kunnen dat het lege graf een brede acceptatie zou hebben onder historici (hoewel me het onwaarschijnlijk lijkt dat dit ooit gaat gebeuren binnen de historische kritiek, maar dat terzijde). Een leeg graf is immers op allerlei manieren te verklaren.

    Overigens vermoed ik dat Rutten hier steunt op de apologeet W.L. Craig, die in zijn opstandingsdebatten dit rijtje ook vaak laat langskomen. Is dat het geval (weet ik niet), dan zou dat niet voor Rutten pleiten. Hij zou er in elk geval beter aan doen het lege graf ongenoemd te laten. Niet alleen omdat er serieuze historische onenigheid over is, maar ook omdat het niet essentieel is voor zijn betoog.

  5. Beste heer Keulemans,

    Is dit uw vervolgblog op uw statistische huisvlijt? Ik hoop dat er nog iets meer komt dan deze toch wat merkwaardige oprisping.

    Wetenschappers kiezen in het algemeen een vak waarmee ze geëngageerd zijn, dus dat lijkt me de eenvoudigste verklaring voor het feit dat veel godsdienstfilosofen gelovig zijn. U lijkt dat een probleem te vinden, iets wat ik erg raar vind voor nota bene een antropoloog (toch in het algemeen niet de meest positivistische figuren onder de mensheid).

    Ik hoop niet dat u van mening bent dat kinderloze vrijgezellen de beste gezinssociologen zijn, pacifisten de beste polemologen en priesters de beste seksuologen. Natuurlijk kan existentiële betrokkenheid bij je onderwerp je altijd parten spelen, maar dat is in vrijwel elke (geestes)wetenschap het geval. Ik wantrouw, eerlijk gezegd, wetenschappers die dit ontkennen, omdat die meestal geen oog hebben voor hun eigen blinde vlekken en bias.

    1. Goed punt, maar u gaat denk ik voorbij aan de kern van de zaak. Natuurlijk mogen wetenschappers betrokken zijn – en dat *moet* soms zelfs – maar de problemen ontstaan als die betrokkenheid leidt tot kokerzicht, i.e. het negeren van basale feiten, of het doen van krankzinnige uitspraken. Hoe serieus moeten we iemand nemen die zelf aangeeft ‘niet rationeel’ meer te denken?
      In uw eigen (fijn gevonden) metaforen: natuurlijk *mag* de pacifist polemoloog zijn, de gezinssocioloog vrijgezel en de priester seksuoloog. Maar het gaat mis als de polemoloog daarna pacifistisch actievoert, de gezinssocioloog scheiding aanraadt uit overtuiging van zijn vrijgezel zijn en de seksuoloog zijn klanten aanraadt celibatair te gaan leven!

      1. Beste heer Keulemans,

        U schrijft in uw artikel: “Filosofen die in God geloven terwijl ze het geloof daarin zouden moeten bestuderen, ik vind het maar raar. Kán dat wel?”

        Ik ben blij te constateren dat u nu toch vindt dat het blijkbaar wel kan. “Natuurlijk mogen wetenschappers betrokken zijn”. Misschien kunt u dat dan even herstellen in uw artikel. Neemt u dan meteen even die rare opmerking over objectiviteit mee, onder raadpleging van het Stanford-artikel.

        Vervolgens schrijft u: “Maar de problemen ontstaan als de betrokkenheid leidt tot kokerzicht, i.e. het negeren van basale feiten, of het doen van krankzinnige uitspraken”.

        Maar vanzelfsprekend. Het is dan wel aan u om aan te tonen dat hiervan sprake is, lijkt mij. U suggereert dat dit het geval is bij gelovige filosofen in het algemeen, of bij Rutten in het bijzonder. Zonder een spoor van bewijs. Dat is nogal kwalijk.

        Verder dient bedacht te worden dat er verschil is tussen wat wetenschappers in wetenschappelijke publicaties zeggen of als gewone burgers, bijvoorbeeld op hun eigen blog of in populaire publicaties. Er zijn zoveel wetenschappers die dan losser redeneren of zelfs regelrechte onzin uitslaan. Zie Dawkins in The God Delusion of Swaab in Wij zijn ons brein. Dus zelfs als Rutten dat zou doen in zijn niet-wetenschappelijke publicaties (maar u heeft daarvan geen voorbeeld gegeven, dus vooralsnog blijft het een loze beschuldiging), dan nog is dat natuurlijk geen reden om zijn bekwaamheid als wetenschapper in twijfel te trekken. Of zelfs iets te roepen als “zijn daar geen wetten tegen”? Wat is dat nu voor onzin, meneer Keulemans?

        Wat de genoemde voorbeelden betreft: het is misschien minder handig als een politicoloog lid is van een politieke partij of als een polemoloog meeloopt in een vredesdemonstratie (al was het maar om vervelende blogs van u te voorkomen), maar het is aan u om aan te tonen dat dit hun wetenschappelijke werk hindert. Ook wetenschappers zijn burgers, ook wetenschappers hebben morele en religieuze overtuigingen, en ook wetenschappers hebben een leven naast het laboratorium of de studeerkamer. En als iemand geen wetenschapper mag zijn omdat hij wel eens uit zijn nek kletst in populaire publicaties, dan kunnen we een heleboel wetenschappers ontslaan…

        Kortom, probeert u zich wat minder te laten hinderen door een antireligieuze bias. Daar worden uw stukjes aardiger van en uw redeneringen evenwichtiger.

        Mvg, Stefan Paas

  6. Wat wetenschappelijke objectiviteit betreft: leuk dat u een citaat plukt uit het begin van een artikel uit de Stanford Encyclopedia of Philosophy. Maar als u het artikel ook daadwerkelijk zou lezen, dan zou u denk ik wel ongeveer uitkomen bij wat Taede Smedes en ikzelf hierboven zeggen.

    Misschien aardig om de conclusie ook even te citeren:

    “So is scientific objectivity desirable? Is it attainable? That, as we have seen, depends crucially on how the term is understood. We have looked in detail at three different conceptions of scientific objectivity: faithfulness to facts, value-freedom and freedom from personal biases. In each case, there are at least some reasons to believe that either science cannot deliver full objectivity in this sense, or that it would not be a good thing to try to do so, or both”.

  7. Omdat u geregeld slordig omspringt met uw bronnen (zie Stanford encyclopedie en uw verwijzing in de andere blog naar “filosofen”), heb ik ook even het artikel van Chalmers&Bouget 2013 erbij gepakt.

    Daar staat t.a.v. religieuze overtuigingen van filosofen (accept + lean toward): atheism 72.8%; theism 14.6%; other 12.6%.

    Dus hoe u bij die 11% theïsten komt, weet ik niet. Ter vergelijk: Larson&Witham 1998 tellen 7% theïsten onder leden van de NAS in 1998 (in USA) en 72% atheïsten. Komt dus vrijwel exact overeen, met dien verstande dat er onder de filosofen meer theïsten zijn. Er zijn ook andere onderzoeken en de definities en meetmethoden verschillen vaak nogal, dus onderzoeken zijn lastig te vergelijken. Maar er is geen reden om uw conclusie te onderschrijven dat filosofen “een atheïstisch volkje” zijn. Althans, niet atheïstischer dan de doorsneewetenschapper.

    Verder zijn er hoge correlaties tussen “Philosophy of religion” vs. (1) theism (0.351) en (2) free will libertarianism (0.262). Er is ook sprake van een zekere correlatie tussen Ph of Rel en atheism, waarbij het grote verschil opvalt tussen specialists en non-specialists.

    Zie Table 9 en Table 10.

    Dit alles onder het motto: check de checker.

    Tot zover maar weer. Mvg

    1. Leve het checken van feiten – maar ik moet zeggen dat ik uw insinuaties en steken onder water een beetje beu ben. In dit geval zit uw fout erin dat u ‘lean towards theism’ tot godsgeloof rekent. Pag. 33: 10,6 procent ‘accept’ theism. Dat is afgerond 11 procent.
      En nogmaals: Boudry is filosoof, Landsman is half filosoof, Slurink is filosoof, mijn persoonlijke kennis is filosoof – ik vind uw insinuatie dat ik de boel een beetje zou beduvelen een hoogleraar onwaardig. Uit de Stanford-encyclopedie (die inderdaad een interessante verhandeling geeft, die ik nota bene al jaren lees en herlees) citeert u selectief wat u uitkomt: u weet net zo goed als ik dat het openingscitaat gewoon de algemene definitie van wetenschappelijke objectiviteit handzaam samenvat.

      Een vraag terug: aangezien u zo geïnteresseerd bent in het correcte gebruik van bronnen, heeft u ook het onderzoek nageplozen waaruit zou blijken dat de meeste historici het erover eens zijn dat het graf van Jezus leeg was? En heeft u bij Rutten ook navraag gedaan naar de cijfers waaruit zou blijken dat de meeste filosofen – waarvan merkwaardigerwijs de meesten atheïstisch zijn – aanvaarden dat het atheïsme ‘overtuigend is weerlegd’? En heeft u al de surveys opgevraagd waaruit zou blijken dat het debat over het bestaan van god onder filosofen ‘springlevend’ is? En zo nee, waarom eigenlijk niet?

      1. Beste heer Keulemans,

        Ik heb u op vriendelijke toon meer dan eens gewezen op ongefundeerde uitspraken en onzorgvuldig brongebruik in uw laatste twee blogs. Alle begrip dat u dat irriteert, maar dat neemt het probleem niet weg. Nu wordt er veel onzin verkocht op blogs en normaal gesproken ga ik daar niet op in. Maar er zijn twee redenen waarom ik het hier wel doe:

        1. U bent chef wetenschapsredactie van de Volkskrant. Het lijkt me dat u als journalist voor alles moet voorkomen dat u overkomt als iemand met een fikse (antireligieuze) bias en als iemand die zich niet zo bekommert om de feiten als het zo uitkomt. Die indruk wekt u nu wel. Mensen die de wetenschapspagina’s van de Volkskrant openslaan, doen er blijkbaar goed aan buitengewoon kritisch te zijn als ze stukken tegenkomen van dhr. Keulemans over het onderwerp religie. In het algemeen zou ik zeggen dat journalisten moeten oppassen voor al te opiniërende stukken over hun eigen werkterrein. Bij wetenschappers kun je nog spreken over een verschil tussen wetenschappelijke en populariserende publicaties. Bij u is dat al veel lastiger. In feite maakt u zich hier al twee blogs lang behoorlijk schuldig aan dat wat u Rutten hierboven verwijt, dat is de ironie van het hele verhaal.

        2. U schampert en railleert al twee blogs lang over twee van mijn collega’s en over mijn werkgever. Dat maakt me extra nieuwsgierig wat ervan waar is. Ik moet tot nu toe concluderen: heel weinig.

        Graag zet ik de dingen nog eens op een rijtje, waarbij ik meteen inga op uw laatste aan mij gerichte post. Het zou u sieren als u er punt voor punt op in wilt gaan. En ik zou buitengewoon veel respect voor u hebben als het leidt tot herziening van uw beide artikelen. Aan een bias kunnen mensen niet veel doen, maar als ze bereid zijn die onder ogen te zien en de gevolgen ervan te repareren, doen ze goed werk wat mij betreft.

        De punten:

        1. U bestrijdt de bewering van Rutten/De Ridder dat het debat over god ‘levendig’ is in de filosofie. Ik heb al gezegd dat ik uw aanpak prijzenswaardig vind (de cijfers op tafel), maar de uitvoering laat te wensen over:
        a. de berekening van het aantal publicaties over godsbewijzen op basis van 1 trefwoordcombinatie (‘god&proof’) schiet volkomen te kort. Als ik zelf aan het rekenen sla, op basis van realistische trefwoordcombinaties, kom ik niet op 0.4%, maar op een kleine 6% publicaties hierover tussen 2010-2014. Dit nog afgezien van andere publicaties over religie en godsgeloof. Als ik het fout heb berekend, laat u het me aub weten. Zo niet, dan is een rectificatie hier op zijn plaats. Ik denk ook dat dit percentage, indien correct, wijst op het gelijk van Rutten/De Ridder. Immers, bij honderden mogelijke filosofische onderwerpen, is 6% publicaties over één thema behoorlijk hoog.
        b. omdat u niets weet over de opbouw / verdeling van de totale verzameling filosofische publicaties, is elk percentage een slag in de lucht wanneer je het wilt gebruiken om iets te zeggen over de levendigheid van het debat of het belang van publicaties over theïsme. Uw conclusies zijn dan ook niet gerechtvaardigd. Zolang we hierover niets weten, is het het verstandigst om af te gaan op de mening van de vakmensen zelf, i.c. die filosofen die kennis hebben van deze debatten en daaraan zelf bijdragen. Rutten/De Ridder en ook Philipse zijn zulke filosofen en zij zijn het met elkaar eens, ondanks dat zij verschillend in het debat staan. Dat is een sterk argument voor het gelijk van Rutten/De Ridder.

        2. U beweert dat “meer dan één filosoof” u erop heeft gewezen dat de uitspraak van Rutten/De Ridder niet klopt:
        a. daarbij verwijst u naar vier opinieartikelen, waarvan er bij nader inzien maar twee door filosofen geschreven zijn. (Landsman presenteert zichzelf als “mathematisch fysicus”, dus niet als filosoof, ook niet als “halve filosoof” – whatever that may be);
        b. blijven er dus twee over: Sluring en Boudry. Van hen publiceert alleen Boudry wetenschappelijk en op dit terrein. En dan geldt nog dat Boudry zich meestal meer bezighoudt met religie in het algemeen dan met literatuur over godsbewijzen. Hij zegt nota bene zelf in zijn opiniebijdrage dat hij daarvoor geen geduld heeft. En ten slotte geldt dat Boudry – als je het verhaal goed leest – deze uitspraak van Rutten/De Ridder helemaal niet bestrijdt. Kortom, ook hier blijft niets over van uw bewering.
        c. u hebt daarnaast nog vagelijk verwezen naar ‘andere’ filosofen die u via Twitter hebben verwittigd. Oncontroleerbaar. En ook hier geldt: wat is hun expertise? Zolang u daar niets over kunt vertellen, kunnen we dit negeren.
        Kortom, dit hoeft u van mij niet te rectificeren (immers, Sluring en Boudry zijn samen ‘meer dan één’), maar u zou het zorgvuldiger en voorzichtiger kunnen opschrijven en de links aanpassen.

        3. In uw tweede blog zijn de volgende punten genoemd:
        a. u werpt de vraag op of godsdienstfilosofen wel gelovig mogen zijn, althans u presenteert het als een nogal schokkende ontdekking dat velen het zijn. Als ik u erop wijs dat dit nogal onzin is, geeft u dat toe. Maar dan zou ik het even rectificeren, want onzin blijft onzin;
        b. u citeert uit de Stanford-encyclopedie iets over ‘objectiviteit’. Anders dan u schijnt te denken, begint zo’n filosofisch artikel niet met “de algemene definitie van wetenschappelijke objectiviteit”. Hij begint, zoals filosofische artikelen meestal doen, met een naïeve, common sense idee van ‘objectiviteit’. Vervolgens problematiseert hij die definitie. En de conclusie spreekt voor zich. Ik citeerde die al: “… there are at least some reasons to believe that either science cannot deliver full objectivity in this sense, or that it would not be a good thing to try to do so, or both”. Leest u het nog maar eens na. Voor een wetenschapsjournalist lijkt het me echt van cruciaal belang dat hij van dit soort dingen op de hoogte is. En herstelt u het dan meteen even bij het herschrijven van dit artikel.
        c. wat het artikel van Bouget&Chalmers betreft: u hebt blijkbaar alleen de appendix gelezen. De onderzoekers zelf tellen ‘accept’ en ‘lean toward’ bij elkaar op en komen tot de percentages die ik noemde. Het is niet zo’n belangrijk punt en ook voor uw percentage valt iets te zeggen (het is maar hoe je ‘lean toward’ interpreteert). Maar het punt dat ik daarbij maakte is wel belangrijk: dit percentage is helemaal niet afwijkend van de gangbare percentages onder wetenschappers. Integendeel, afgezet tegen het gezaghebbende onderzoek van Larson&Witham is het percentage theïsten onder professionele filosofen zelfs iets hoger dan onder de totale verzameling (Amerikaanse) academische wetenschappers. Uw uitspraak dat filosofen een atheïstisch volkje zijn, slaat in deze context dus nergens op (want uiteraard moet je beroepsfilosofen niet vergelijken met algemene populaties, maar met collegawetenschappers).
        d. t.a.v. uw vragen over de uitspraken van Rutten: daarop is hij zelf al ingegaan.
        e. verder heb ik erop gewezen dat er verschil is tussen de wetenschappelijke publicaties van een wetenschapper en zijn uitspraken in de pers of in populaire publicaties. U gebruikt populaire publicaties en persuitspraken van Rutten om zijn wetenschappelijke integriteit ter discussie te stellen. Ik heb al gezegd: zelfs als het twijfelachtig is wat Rutten beweert, dan geldt dat voor zoveel wetenschappers van naam en faam. Dus uw beschuldiging houdt absoluut geen steek, is eerder een vorm van karaktermoord. Het zou u sieren als u dat hierboven herstelde.

        Mocht u e.e.a. rectificeren of mij wijzen op flagrante onjuistheden in mijn verhaal, dan kom ik er nog graag even op terug. Indien geen van beide het geval is, moeten we het hierbij maar laten. Ik wens u een genuanceerd 2015 toe.

        Mvg, Stefan Paas

  8. Stefan Paas zegt [Wetenschappers doen toch voortdurend uitspraken die “het boekje van de empirische toetsbaarheid te buiten gaan”]
    Emanuel Rutten en Jan-Auke Riemersma beweren met zoveel woorden dat de empirische wetenschap ten dode is opgeschreven.
    Rutten heeft dat nodig om zijn godsbewijs dezelfde geldigheid te geven als iedere andere wetenschap.
    Voor Paas geldt in wezen dezelfde redenering.
    Riemersma bouwt zijn godsbewijs op de vermeende onlogische werkelijkheid waarin alles, dus ook God, mogelijk is en waar de empirische wetenschap niets te zoeken heeft.

    Religieuzen wijzen er nogal eens op dat ook fysici zich vaak van metafysische redeneringen bedienen. Er lijken legio voorbeelden te zijn: het multiversum met het antropisch principe, de snaartheorie, enz.
    Die redeneringen gelden als redelijke hypotheses, een soort raamwerk dat wellicht houvast kan bieden bij het zoeken naar mogelijkheden voor empirische toetsing van die hypotheses.
    Ze worden nooit als definitieve waarheden verkondigd, sterker nog alle wetenschappelijke theorieën gelden niet als absoluut waar, want er is altijd kans dat ze (op subtiele wijze) een wereld beschrijven die afwijkt van de waargenomen wereld.
    Ik nodig Stefan Paas en iedereen uit met een enkel duidelijk voorbeeld te komen waar een wetenschappelijk feit als een absolute waarheid wordt gepresenteerd.

    Bij godsdienstfilosofen zijn metafysische redeneringen de enige gereedschappen welke tot hun beschikking staan. Mogelijkheden voor empirische toetsing van die redeneringen zijn er niet.
    Die redeneringen kunnen zowel uitmonden in een stellige bewering dat God bestaat, of dat God juist niet bestaat. De bruikbaarheid van dergelijke resultaten is daarmee nogal twijfelachtig.

    Een filosoof mag uitgaan van empirisch feitenmateriaal en daar zijn gereedschap op loslaten.
    Als hij daar geen niet-empirische feiten aan toevoegt kan hij toch op nieuwe gezichtspunten uitkomen, die wellicht toetsbaar zijn. Dat is goede wetenschap.
    Voor godsdienstfilosofen geldt dat zij als substituut voor feitenmateriaal ergens een niet toetsbare God zullen moeten postuleren willen zij überhaupt uitspraken over die God kunnen doen.
    De vraag is of een niet toetsbare God toch waardevol kan zijn. Ik denk van niet, maar gelovigen denken daar blijkbaar anders over.

    Bij de zachtere wetenschappen wordt naast empirisch feitenmateriaal ook dapper gepostuleerd en dit verklaart dat ook dat hier, evenals bij godsdienstfilosofie, wildgroei optreedt.
    Soms werkt dit soort wetenschap niet, maar meestal wel beter dan het toeval.

    Goede wetenschap kenmerkt zich door convergentie en betrouwbare toepasbaarheid in theorie en praktijk.

    Wanneer er bij wetenschap divergentie optreedt en toepasbaarheid geheel achterwege blijft, kan men dan ook niet over goede wetenschap spreken.
    Er is reden om dit soort wetenschap te negeren, omdat er dan feitelijk alleen maar sprake is van storende ruis.
    Dit soort wetenschap werkt niet beter dan het toeval. Maar daar denken gelovigen blijkbaar ook anders over

  9. Beste Maarten,

    Laat me jouw drie concrete vragen in jouw laatste reactie op Stefan hierboven beantwoorden.

    [1] Waaruit blijkt dat de meeste filosofen aanvaarden dat het atheïsme ‘overtuigend is weerlegd’?

    In het stukje waar jij in jouw blogpost naar verwijst, staat niet dat de meeste filosofen hebben aanvaard dat het atheïsme overtuigend is weerlegd. Wat daar staat is dat het filosofisch debat aan het kantelen is, dat veel atheïstische kritiek overtuigend is weerlegd, dat er nieuwe Godsargumenten bijgekomen zijn, en dat de oude argumenten zijn verbeterd.

    Welnu, dat veel van de bekende klassieke kritiek van filosofen als Hume, Kant, Russell en de logisch-positivisten op de klassieke Godsargumenten sindsdien is ontkracht en/of niet werkt tegen verbeterde versies van die argumenten, valt nauwelijks te ontkennen. Bovendien zijn er wel degelijk ook nieuwe Godsargumenten bijgekomen.

    Binnen deze context sprak ik over het kantelen van het debat. Het ging mij dus om een kanteling in de balans tussen de argumenten voor en tegen het bestaan van God. Als filosoof meen ik namelijk dat (mede gelet op wat ik in de vorige alinea schreef) de cumulatieve casus voor het bestaan van God in onze tijd veel sterker is dan een aantal decennia geleden. Uiteraard wil ik daarover graag uitvoerig in gesprek gaan, maar dan zullen we echt inhoudelijk op zowel de oude als de hedendaagse argumenten voor het bestaan van God (en de oude en hedendaagse kritiek erop) moeten ingaan. Daarvoor is veel meer tijd en ruimte nodig.

    Dat er in de afgelopen decennia in ieder geval wel degelijk iets fundamenteel is veranderd in het debat over rationele Godsargumenten, wordt verder niet alleen door Jeroen en mij beweerd. Zie bijvoorbeeld hier wat een atheïstische filosoof als Philipse daarover schrijft in zijn nieuwe boek: http://goo.gl/K7XIMW

    [2] Waaruit blijkt dat het debat over het bestaan van god onder filosofen ‘springlevend’ is?

    Dit brengt ons weer bij jouw vorige blogpost en de reacties van o.a. Jeroen, Stefan en mij daarop (welke deels onder jouw vorige en bovenstaande blogpost staan). Mensen die jouw blog volgen kunnen dit alles rustig nalezen, zoals je hierboven zelf ook schrijft: “Ik denk van niet, zij van wel – enfin, u leest het”.

    [3] Waaruit blijkt dat de meeste historici het erover eens zijn dat het graf van Jezus leeg was?

    Zie onderstaande passage van G. R. Habermas voor wat betreft de inschatting van historici die zich bezighouden met onderzoek naar de historische Jezus van Nazareth. Dit is waar ik mij op baseerde.

    “A second research area concerns those scholars who address the subject of the empty tomb. It has been said that the majority of contemporary researchers accepts the historicity of this event. But is there any way to be more specific? From the study mentioned above, I have compiled 23 arguments for the empty tomb and 14 considerations against it, as cited by recent critical scholars. Generally, the listings are what might be expected, dividing along theological “party lines.” To be sure, such a large number of arguments, both pro and con, includes very specific differentiation, including some overlap.

    Of these scholars, approximately 75% favor one or more of these arguments for the empty tomb, while approximately 25% think that one or more arguments oppose it. Thus, while far from being unanimously held by critical scholars, it may surprise some that those who embrace the empty tomb as a historical fact still comprise a fairly strong majority.” (bron: G. R. Habermas. An edited version of the entire article was published in the ‘Journal for the Study of the Historical Jesus’, 3.2 (2005), pp. 135-153)

    Tot slot nog iets over ‘tunnel visie’. Natuurlijk moet een ieder daarvoor uitkijken. Dit geldt niet alleen voor filosofen die in het wijsgerig debat argumenten voor het bestaan van God inbrengen, maar ook voor hen die in het debat tegen het bestaan van God argumenteren, zoals in ons taalgebied Boudry en Philipse. We dienen altijd open te staan voor elkaars argumenten en ook de flexibiliteit te hebben om van gedachten te veranderen indien de ingebrachte argumenten daartoe aanleiding geven. Dit geldt voor iedereen die zich met filosofie of met welk vakgebied dan ook bezighoudt.

    Groet,
    Emanuel

    1. Emmanuel,

      Jij baseert je dus op de gegevens van Gary Habermas. Heb je die ook zelf gecheckt? Ik ben sceptisch over het werk van Habermas, die hoogleraar apologetiek is (http://en.wikipedia.org/wiki/Gary_Habermas) en gespecialiseerd in discussies over Jezus’ opstanding. Ook hier ligt de confirmation bias op de loer. Ik zou eerder een echte historicus citeren – liefst zelfs een atheïst die geen belang heeft bij de uitkomst – dan een oerchristelijke apologeet…

      1. Ik heb hier Theissen niet bij de hand, die geldt als standaardwerk, maar volgens mij betwijfelt hij ook het lege graf niet. Hierbij een citaat ter overweging van agnost en gerenommeerd historicus E.P. Sanders (The Historical Figure of Jesus, p. 279-280), over de verschijningservaringen: “The followers of Jesus were sure that he was raised from the dead, but they did not agree on who had seen him. I do not regard fraud as a worthwhile explanation. Many of the people in these lists were to spend the rest of their lives, proclaiming that they had seen the risen Lord, and several of them would die for their cause. Moreover, a calculated deception should have produced greater unanimity. (…) That Jesus’ followers (and later Paul) has resurrection experiences is, in my judgement, a fact. What the reality was that gave rise to the experiences I do not know”.

        Verder kom je, denk ik, als wetenschapper niet. De rest is interpretatie, duiding, geloof, wereldbeeld.

      2. Niemand betwijfelt de opstandingservaringen van de eerste volgelingen van Jezus.

        Theissen & Merz (4e druk 2011) hebben een overzicht van argumenten pro en contra het lege graf (p. 435-439). Zij achten twee scenario’s aannemelijk: er is secundair een leeg graf aan het opstandingsgeloof gekoppeld, of de vrouwen vonden daadwerkelijk het bekende graf van Jezus leeg, dat dan secundair aan de hand van de opstandingservaringen geduid werd. Omdat beide scenario’s een leeg graf veronderstellen is er volgens hen een “kleines Plus” voor een historische kern van het legegrafverhaal.

        Ik vind dit overigens niet het meest sterke stuk uit dit handboek, maar dat terzijde.

    2. Nou, Emanuel,

      Die “godsargumenten” die er bij komen, laten vooral een steeds waziger godsbeeld zien. God wordt daar zo abstract, dat een geloof in de christelijke god daaruit echt geen gevolg meer kan zijn.

      Wie een god wil bewijzen op doeltreffende wijze, zal met een paar dingen moeten komen:
      1) een omschrijving, een definitie van wat hij nu eigenlijk wil bewijzen: “wat is de god”?
      2) een hypothese

      Beiden heb ik iig nog niet sluitend gezien en het lijkt er dan ook vooral op, dat filosofen bezig zijn een godsbeeld te maken wat totaal niet aansluit bij het godsbeeld wat het overgrote deel van de gelovigen heeft. Waarom ze dit doen? Misschien omdat het in de bijbel beschreven godsbeeld al tijden lang niet meer houdbaar is en de filosofen last hebben van een stukje cognitieve dissonantie?

      gr,

      Martijn

      1. Beste Martijn,

        Wellicht had ik in mijn reactie op Maarten hierboven toch ook mijn site gjerutten.nl moeten noemen. Daarop vind je namelijk, naast mijn proefschrift uit 2012, veel teksten waarin ik uitgebreid inga op jouw vragen en opmerkingen.

        Groet,
        Emanuel

      2. Emanuel,

        Ik heb eens gekeken naar dat “nieuwe” ontologische argument van Pruss.

        Ik zal wel niet de enige zijn die daarvan niet onder de indruk is en, net zoals Keulemans, mijn vermoedens hier bevestigd zien.

        Filosofie heeft prachtige kanten, maar de godsdienstfilosofie kenmerkt zich toch vooral door wat ik hierboven al schreef: rookgordijnen opwerpen en vervolgens doen alsof dat een deugd is.

        Waar jij zegt dat Pruss een “nieuw interessant argument voor god heeft” zie ik vooral “oh, weer zoiets”, om vervolgens te lezen dat wat god zou moeten zijn, vooral bestaat uit de eigen ideeën over hoe lief en aardig het allemaal is. Wederom sluit dit niet aan bij de gedachten v/h overgrote deel van de gelovigen of bij de bijbel, waar deze god uitvoerig in beschreven wordt.

        Hoe zien jullie dat zelf eigenlijk?

    3. Beste Emanuel,

      Hartelijk dank voor je reactie, goed en sportief dat je ingaat op mijn kritiek.

      Ik ben alleen bang dat ik mijn beeld van ‘wetenschap als dekmantel om zieltjes te winnen’ en ‘lekker lullen over God’ helaas vooral bevestigd zie.

      Kijk, zo gaat het nou steeds: bij navraag blijkt de zaak nét iets anders in elkaar te zitten dan je aanvankelijk beweerde, en blijk je de waarheid een duwtje te hebben gegeven richting God. Dat maakt het dus geen wetenschap meer, maar ordinair evangeliseren.

      Neem [3], de historici en het lege graf. ‘De meeste historici zijn het erover eens’ blijkt bij navraag helemaal niet te gaan om ‘de meeste historici’, maar over een kleine, naar ik aanneem overwegend christelijke deelverzameling; een steekproef van ‘historici die zich bezighouden met onderzoek naar de historische Jezus van Nazareth’. Waarover, zo begrijp ik uit de andere reacties, nog veel te doen is ook.
      Waarom zeg je dan ‘de meeste historici’?

      Waarom niet gewoon: ‘De meeste christelijke historici zijn het erover eens’ of beter nog: ‘in een survey onder christelijke historici etc etc.’ Nu staat er gewoon: er is consensus over, zoals de meeste historici het erover eens zijn dat de holocaust en de landingen op de maan echt hebben plaatsgevonden. Dat is gewoon: met een leugentje zieltjes proberen te winnen.

      Ik ben zelf historicus (en antropoloog dus) en ken en spreek honderden historici, en voor zo ver ik weet is daar de algemeen gedragen opvatting dat de historiciteit van de opstanding (zacht uitgedrukt) zeer twijfelachtig is.

      Of neem [1], het atheïsme is ‘overtuigend weerlegd’, ‘ligt op de grond’, ‘als godsdienstfilosoof zou je eigenlijk het atheïsme te hulp moeten schieten’, ‘alles wijst naar god’, ‘in de academische filosofie van pakweg de laatste veertig jaar heeft zich een kentering voltrokken’.

      Dat is spierballentaal, powerplay, voor iets wat je nu veel preciezer zegt: ‘Als filosoof meen ik namelijk dat de cumulatieve casus voor het bestaan van God in onze tijd veel sterker is dan een aantal decennia geleden.’

      Kijk, dat is redelijke taal. Natuurlijk mag je dat vinden. En leve de wetenschapper die zich met enthousiasme uitlaat over zijn positie in een debat. Maar ook hier stel je de zaak publiekelijk voor alsof het debat al is beslecht, de race is gelopen en team-God heeft gewonnen. Dat is niet anders dan de arts die heel hard roept dat het door hem gepatenteerde geneesmiddel helpt tegen kanker. Dat overtuigt niet, maar irriteert en polariseert en geeft eerlijk gezegd een nogal ridicule indruk van het vak.

      Die vorm van overselling zie je ook terug in jullie opiniestuk, waar jullie ‘de professionele filosofie’, ‘de moderne filosofie’ en ‘de academische filosofie’ aanroepen. Als jullie bedoelen te zeggen: ‘christelijke filosofen hebben nieuwe argumenten bedacht’, waarom zeggen jullie dát niet?
      Diezelfde twijfel gaat ook schuil achter [2] de ‘debat is springlevend’-kwestie. Alsof er nú iets heel spannends gaande is (dezelfde hijgerigheid dat het nú gebeurt schuilt overigens in je opmerking tegen RD dat Dawkins debatten afhoudt – lieve help, de man is 73, mag hij?).

      Eh, nú, zoals in: vandaag de dag? Zoals iedereen behalve Stefan Paas kan nakijken lijkt er in elk geval in cijfermatig opzicht niet zo heel veel aan de hand. De ‘nieuwe argumenten’ die je noemt (van Swinburne, Plantinga, Koons en Pruss) stammen uit de jaren negentig en zelfs uit de jaren zestig en zeventig – van lang vóór onze geboorte, Emanuel! De afgelopen decennia verschijnen er in de categorie ‘Reformed Epistemology’ van PhilPapers jaarlijks maar een handjevol nieuwe artikelen, en in de categorie ‘Arguments for Theism’ maar enkele tientallen. Dat is heus niet niks, maar je moet ook niet doen alsof er zich nu, as we speak, een of andere reusachtige ommekeer voltrekt.

      Met nadruk: mede door de intelligente reacties van Taede, Vincent, Jona en anderen ben ik het er volledig mee eens dat dit zeker niet opgaat voor álle godsdienstfilosofen of dé godsdienstfilosofie, en dat je inderdaad best gelovige mensen in deze tak van onderzoek mag (en misschien wel moet) verwachten.

      Maar je pompt je uitspraken op met het viagra van overselling, een zeer kwalijke neiging van deze tijd, die ik als wetenschapsjournalist trouwens in meer takken van wetenschap zie. Je hebt een verantwoordelijkheid als je als wetenschapper wordt aangesproken of uitlatingen doet; anders is het inderdaad gewoon ‘lekker lullen over god’ (gelukkig heb ik als polemist meer vrijheid).

      En natuurlijk mag je (en moet je) daarnaast vooral geloven wat je wilt, ga vooral je gang!

      Mvgr
      Maarten

      1. Beste Maarten,

        Dank voor jouw reactie. Laat me er weer even puntsgewijs op ingaan.

        Natuurlijk verwijst ‘de meeste historici’ naar ‘de meeste historici die zich bezighouden met het onderzoek naar de historische Jezus van Nazareth’. Het gaat hier immers om historisch onderzoek naar Jezus van Nazareth! We hebben het dan dus automatisch niet over de vele historici die zich bezighouden met hele andere onderwerpen, zoals de Franse revolutie, de industrialisatie, de opkomst van de moderne wetenschap of welk ander thema dan ook. Dit lijkt mij echt evident.

        Kortom, uiteraard nemen we in een uitspraak als ‘meeste historici’ automatisch alléén die historici mee die zich met de vraag in kwestie hebben beziggehouden. Historici die zich met allerlei andere thema’s bezighouden (zoals vermoedelijk velen van de “honderden historici” waarover jij spreekt) zullen vast heel kundig zijn in hun eigen specialisatie, maar dat laat onverlet dat ook zij zich, voor wat betreft vragen over de historiciteit van bepaalde uitspraken over Jezus, dienen te richten op wat hun collega historici die zich dáármee bezighouden publiceren.

        Verder bestaat de populatie van de historici die zich bezighouden met historisch onderzoek naar Jezus van Nazareth uit zowel gelovige als ongelovige wetenschappers. Net zoals dat in de Godsdienstfilosofie het geval is, of in welk ander vakgebied dan ook. Waar het echter om gaat is dat het professionele erkende wetenschappers zijn die in internationale academische tijdschrijften publiceren en academische boeken schrijven. Habermas komt in zijn eigen wetenschappelijk gepubliceerde onderzoek naar de opvattingen over Jezus’ lege graf uit op een percentage van 75%. En daarop was mijn ‘meeste’ gebaseed. Mocht er ander gepubliceerd onderzoek bestaan waarin dat percentage geproblematiseerd wordt (bijvoorbeeld doordat men tot andere tellingen van de beschikbare publicaties komt) dan dienen we daarvoor uiteraard ook open te staan.

        Verder ben ik inderdaad van mening (zoals ook Philipse uiteenzet in de link die ik eerder noemde) dat er zich in de academische filosofie op het gebied van de Godsargumenten een kentering heeft voltrokken. In een lezing in Groningen waar jij naar refereert (waarover het RD een stukje schreef waaruit jij citeert) zeg ik dat dan ook. En in een interview met de Bezieling, waar jij nu ook naar verwijst, spreek ik inderdaad prikkelend over het te hulp schieten van de atheïst. Waarom? Omdat zoals gezegd hun kritiek op veel van de nieuwe Godsargumenten niet overtuigend is. Dat is hoe ik daar als filosoof over denk. Philipse is het op dit punt natuurlijk met mij oneens (vandaar ook dat ik in Amsterdam en Gent met hem publiekelijk hierover in debat ben gegaan). Op http://www.gjerutten.nl vind je veel bijdragen van mijn hand (waaronder mijn proefschrift) waarin ik uitgebreid schrijf over dit boeiende thema. Voor de rest heb ik over dit punt hierboven en elders al het nodige gezegd. Ik voel er weinig voor dit alles nu weer te gaan hernemen.

        Je spreekt over Godsargumenten uit de jaren negentig en zestig. Echter, er zijn juist ook de laatste jaren nieuwe Godsargumenten gepubliceerd. Hierbij denk ik bijvoorbeeld (maar niet alleen) aan de ontologische argumenten van A. Pruss uit 2009 en 2012, de argumenten van J. Rasmussen uit 2009 en 2010, en (als ik zo vrij mag zijn) mijn eigen modaal-epistemisch argument uit 2012. Je zult verder hopelijk begrijpen dat er niet aan de lopende band nieuwe Godsargumenten gepubliceerd worden. Maar precies daarom zijn dit soort ontwikkelingen van de laatste decennia wel degelijk opmerkelijk en noemenswaardig. Zeker omdat dit alles juist in ons land zo weinig bekend is.

        Tot zover van mijn kant. Mocht je eens wat dieper op de inhoudelijke kant van de Godsargumenten en de kritiek erop willen ingaan (het is werkelijk fascinerende materie!), dan moet je me dat maar een keer laten weten. Ik trek er dan graag in een gesprek wat meer tijd voor uit. Op de VU of elders.

        Groet,
        Emanuel

      2. Het bizarre gevolg van dit alles, Emanuel, is dat ik in mijn hoedanigheid als journalist (dus niet als blogger) me totaal niet geprikkeld voel om hier eens over te komen praten. Dat komt door dat effect wat Jona hieronder benoemt: dat men in sommige specialisaties te massaal achter één bepaalde visie staat.

        Laat me het uitleggen door het om te draaien: stel dat Dawkins en Dennett en hun vrienden opeens zeggen dat ze een nieuw bewijs tégen God hebben en jou en mij uitnodigen om eens met ze te komen praten. Ik zou zoiets hebben van: ja hoor, daar heb je ze weer. En zeggen: leuk heren, maar het is geen nieuws dat de hardcore atheïsten een hardcore atheïstisch argument formuleren. Duh.

        Datzelfde gevoel bekruipt me hier ook. Door je fanatieke geloofsovertuiging die je in alle toonaarden uitschreeuwt in zo ongeveer elk interview, wordt het moeilijk om je serieus te nemen. Zoals ik verwoordde: is het überhaupt dénkbaar dat je iets zou vinden dat je theorie níét zou bevestigen?

        Daarbij speelt het ‘Jona-effect’ op: je werkt aan een (voorheen) gereformeerde universiteit, bij een club die geld van Templeton aanvaardt, met een groep die (helemaal?) bestaat uit praktiserende christenen – hoe kan ik dat nou serieus nemen? Dat is voorspelbaar. In het zeemanscafé draaien ze zeemansmuziek.

        Ten overvloede: aan het onderwerp ligt het niet! Ik ben (net als trouwens de meeste lezers van populair-wetenschap) altijd erg in voor ongewone, nieuwe, offbeat theorieën aan de rand van de wetenschap. Maar hier denk ik: laat maar, zoals ik dat ook denk als de farmaceut me uitnodigt om te komen kijken naar een presentatie van hun nieuwe onderzoek, Greenpeace me wijst op het nieuwste onderzoek dat zou uitwijzen dat genetische modificatie kanker veroorzaakt, of Dawkins een interview aanbiedt om te vertellen wat er allemaal mis is met God. Het valt gewoon al snel buiten het bereik van wetenschap!

        Onze oud-columnist Hans van Maanen stelde eens dat er één manier is om verkokering en bias in het onderzoek tegen te gaan: ‘Je moet gewoon zorgen dat je altijd iemand in je team hebt die er geen bal van gelooft.’ Dat ging over medisch onderzoek, maar ik zie niet in waarom het niet zou gelden voor alfa-onderzoek. Je wilt toch serieus genomen worden? Je wilt de wetenschap toch kunnen slijpen aan de venijnig ronddraaiende slijpsteen van je felste tegenstanders?

        Terugkomend op je reactie – tja, op de meeste punten zou ik zeggen: we can agree to disagree.
        Dat van die historici vind ik nog steeds een buitengewoon slap verhaal. Doordat je het vaag houdt, wordt het een verdraaiing van de feiten. Je moffelt gewoon een cruciaal stukje informatie onder het vloerkleed!

        Want wat zijn ter zake kundige historici? De meeste gewone lezers – en dat zijn er nogal wat – denken dat álle historici er wel verstand van zullen hebben. En verder: ik ben historicus, heb veel geschreven over joods-christelijke archeologie en heb vakken oude geschiedenis gedaan – ben ik dan ook ‘ter zake kundig’? Telt Jona Lendering mee? Fik Meijer? Tellen mijn docenten oude geschiedenis mee? Er zit gewoon sterke selectiebias in die steekproef, en dat weet je, en verzwijg je.

        Met groet,
        Maarten

  10. Als antwoord van dhr. Keulemans op mijn lange post hierboven, 9:41 am, kreeg ik via Twitter dit antwoord:

    “Als hoogleraar zou u mijn vragen moeten beantwoorden in plaats van defensief ontwijken. Einde discussie”.

    Het is verleidelijk om nu met allerlei ripostes te komen, maar ik neem aan dat min of meer neutrale lezers wel kunnen zien wie hier weigert in te gaan op vragen of defensief ontwijkt.

    Tot zover dan maar. Allen een goed 2015.

  11. Het zou goed zijn als mensen van uiteenlopend spiritueel pluimage godsdienst bestudeerden. Echter, net zoals je bij opleidingen psychoanalyse buitengewoon veel freudianen treft en bij keuzevakken marxistische analyse de liberalen op één hand kunt tellen, zo zul je ook veel gelovigen vinden in theologie en aanverwante velden. Anderen beginnen er namelijk niet, of in elk geval minder snel aan.

    Dat is niet bevordelijk voor de interne dynamiek van zo’n veld, maar soit. Van buitenaf kunnen we de beweringen van godsdienstwetenschappers altijd nog toetsen aan logica en empirie.

    1. Daar raak je volgens mij de kern van het probleem: ik denk namelijk dat de beweringen van godsdienstwetenschappers helemaal niet worden beoordeeld aan de hand van logica en empirie. Althans niet in het huidige academische bestel. Daarin beoordelen godsdienstwetenschappers godsdienstwetenschappers, biologen biologen en sterrenkundigen sterrenkundigen. Dat deze collegiale beoordeling (via tijdschriftredacties en visitatiecommissies) hoogst problematisch is, valt speltheoretisch te beredeneren.

      Wat we zien gebeuren is dat een groep wetenschappers, in dit geval de godsdienstfilosofie, eenzelfde opvatting heeft over wat behoort tot de wetenschap (namelijk godsbewijzen). Die opvatting lijkt in strijd met logica en empirie. Maar dat zal niet naar buiten komen, en men kan voortmodderen, omdat men zichzelf mag beoordelen.

      Dit geldt niet alleen voor de godsdienstfilosofie. Om niet te spugen op andermans vakterrein maar me te beperken tot mijn eigen discipline: de oudheidkundige disciplines claimen dat de Oudheid de bakermat vormt voor onze cultuur, maar deze culturele continuïteit is nooit empirisch of logisch onderzocht.

      Daar waar een traditie bestaat van harde toetsing aan de empirie, zie ik de wetenschap overleven. De geesteswetenschappen en een deel van de menswetenschappen zie ik echter afglijden tot hopeloos obscurantisme.

      1. Als wetenschappers zich in de openbaarheid begeven en daar hun ideeën op een populaire wijze aan de man brengen, kunnen ze op kritiek rekenen van buiten hun discipline. Die mogen ze negeren als irrelevant, maar als het om logische principes gaat is het zeer de vraag of dat zo is.
        Emanuel Rutten past modale logica op onberispelijke wijze toe.
        Hij leidt uit een paar postulaten de logische uitspraak af dat God noodzakelijk moet bestaan maar zegt er nota bene bij dat dit geen bewijs is, maar een argument vóór het bestaan van God.
        Critici denken m.i. terecht dat de onderhavige uitspraak fout is als argument maar vervolgens proberen zij de logische uitspraak aan te vallen en dat lukt niet, want Rutten weet als vakman precies wat hij doet.
        Volgens mij is zijn uitspraak niets méér dan een ander postulaat dat logischerwijze volgt uit de postulaten waar hij mee begon. Een postulaat is natuurlijk geen bewijs, maar – en daar gaat Rutten m.i. de fout in – een postulaat is óók geen geldig argument.
        Jan-Auke Riemersma doet in feite precies hetzelfde en ook bij hem haal je bakzeil als je zijn logische conclusie onderuit probeert te halen.
        Hoe het met andere godsbewijzers zit heb ik niet onderzocht, zó interessant vind ik het onderwerp nu ook weer niet.

        Mijn vraag is waarom theologische vaklui blijkbaar zonder meer postulaten als argument vóór het bestaan van God accepteren.
        Zijn zij zo arrogant of doen ze alleen maar alsof ze God zelf zijn.

  12. Beste Maarten,

    Dank weer voor jouw reactie. Hierbij die van mij. Je zegt nu wel dat mijn punt van die historici buitengewoon slap is, maar dat is natuurlijk helemaal niet het geval. Ik had het die avond uiteraard over de meeste historici in de context van het moderne onderzoek naar de historische Jezus van Nazareth. Het is echt evident dat het daar om de opvattingen ging van historici die zich bezighouden met het historisch onderzoek naar Jezus en niet naar, zeg, de ontdekking van Amerika of penicilline. Verder heeft Habermas zijn tellingen netjes gebaseerd op wat er in de wetenschappelijk erkende tijdschriften door de jaren heen over gepubliceerd is. En dit is natuurlijk volstrekt legitiem.

    Je schrijft verder dat je je totaal niet geprikkeld voelt om een keer een gesprek over argumenten voor en tegen het bestaan van God aan te gaan. Maar waarom eigenlijk niet? Je geeft als reden niet dat je niet in het thema geïnteresseerd zou zijn. De reden die je geeft is dat men in sommige specialisaties massaal achter één bepaalde visie staat.

    Welnu, in de eerste plaats staat men in het internationale wijsgerige debat over argumenten voor en tegen het bestaan van God helemaal niet massaal achter één bepaalde visie. De meningen zijn juist erg verdeeld. En dit is ook het geval wanneer we ons alleen tot de VU zouden beperken. Ook daar lopen de meningen over dit thema namelijk sterk uiteen. Daar is helemaal niets mis mee.

    In de tweede plaats zou, zelfs als je gelijk zou hebben dat men massaal achter één visie staat, dat geen reden mogen zijn om dan maar niet van die visie kennis te willen nemen. Sterker nog, om een goed oordeel te kunnen vormen is het zelfs noodzakelijk om je te willen verdiepen in andere visies dan die waarmee je zelf vertrouwd bent. Neem nu Dawkins en Dennett. Hoewel ik het niet met ze eens ben, heb ik wel met plezier de moeite genomen om mij echt te verdiepen in hun inhoudelijke argumenten. Dat ik die vervolgens geenszins overtuigend vindt, doet niets af aan het feit dat het goed is om er eerst aandachtig kennis van te nemen. Dit is zelfs essentieel, omdat we anders niet weten waarover we het hebben als we erover oordelen.

    Verder valt me op dat je mijn teksten op voorhand in twijfel wil trekken vanwege mijn sterke levensbeschouwelijke overtuigingen. Dit is echter problematisch. Je speelt hier namelijk de man en niet de bal. Waar het in de wetenschap om gaat is dat onze wetenschappelijke teksten – geheel los van onze persoonlijke levensbeschouwelijke opvattingen – altijd netjes worden onderworpen aan een uitvoerige peer review. En deze reviews worden uitgevoerd door uiterst kritische vakgenoten kan ik je verzekeren, zowel binnen als buiten de VU. Welnu, mijn proefschrift en gepubliceerde teksten (waaronder mijn modaal-epistemisch Godsargument) hebben deze scherpe peer review doorstaan. Ze zijn dus puur op hun argumentatieve inhoud beoordeeld en niet op grond van de persoonlijke opvattingen van de schrijver. En zó hoort wetenschap uiteraard te werk te gaan. Je zou voor de aardigheid eens een onderzoekvergadering bij ons op de VU moeten bijwonen. Papers worden daar zeer vriendelijk doch heerlijk genadeloos aan zeer scherpe kritiek onderworpen en dat is inderdaad precies zoals het moet zijn.

    Verder zat Herman Philipse in de leescommissie van mijn proefschrift. Ook zijn mijn teksten uitvoerig besproken in de onderzoeksgroep van Herman Philipse. Ik kan je vertellen dat ik daar als theïst tot de absolute minderheid behoorde (sterker nog, meestal was ik zelfs de enige). Ook ben ik regelmatig bij Herman thuis geweest om over mijn Godsargumenten te sparren. En dat waren intellectueel gezien heerlijke en bijzonder stimulerende middagen, voor mij én voor hem. Ik ben dan ook juist iemand die heel graag mijn argumenten slijpt aan scherpe inhoudelijke kritiek. Dat geeft mij juist energie.

    Niet voor niets stel ik mij ontvankelijk en open op voor de meningen van criticasters. Ik ontwijk deze zeker niet, maar ga juist graag het inhoudelijke gesprek aan. Dat deed ik met Philipse tijdens publieke debatten in Amsterdam en Gent, met Boudry in Rotterdam en met Bas Haring in Rotterdam. Bekijk voor de aardigheid eens dit debat tussen Bas en mij: http://goo.gl/S8SJm9

    Wat verder wel aardig is, is dat die persoon die er geen bal van gelooft, waarover jij schrijft, ikzelf was! In mijn wiskunde-periode in Delft vond ik geloof in God volstrekte onzin. Zodra iemand erover begon, keek ik verveeld weg. Het interesseerde me echt helemaal niets. Kijk bijvoorbeeld voor de aardigheid eens naar deze uitzending waarin ik daar wat meer over vertel: http://goo.gl/hRvOnB

    Enfin, mijn aanbod om samen eens in gesprek te gaan, ergens in Amsterdam of waar dan ook, staat nog steeds. Echt, ik zou mijn uitnodiging aannemen. Ik beloof je dat je er geen spijt van zult krijgen. Want, zoals gezegd, waar het echt om gaat is dat we open en ontvankelijk zijn voor andere visies.

    Groet,
    Emanuel

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s